Nr. 101 Old Ni-js Nr. 101

Geplaatst op zaterdag 15 december 2018 om 13:38

[Verspreiding begin december 2018]

Beste heemkundevrienden,

Het hoofdartikel van Old Ni-js nummer 101 staat in het teken van ’t Neije Raethuys. Dit, omdat op het moment van het uitkomen van dit nummer de Heemkundekring Bergh het uit 1531 stammende middeleeuwse gebouw dan al betrokken heeft. Alhoewel 1531, dit staat dan weliswaar vermeld op
het bordje aan de gevel, maar uit documenten blijkt dat het pand nog ouder is. In 1526 is er door een zekere Segewinus Hatiseren een klok voor het ‘s-Heerenbergse stadhuis gegoten.
Het kan natuurlijk zijn dat de klok al in 1526 werd gegoten, maar dat uiteindelijk het stadhuis pas in 1531 gereed is gekomen. Feit is dat we vanaf 1 november 2018 onze werkzaamheden in dit prachtige gebouw mogen uitoefenen.

Als heemkundekring hebben wij niet alleen een taak om het culturele erfgoed te bewaren en te bewaken, de aandacht vestigen op dit erfgoed speelt misschien nog wel een belangrijkere rol. Dit laatste doen wij niet alleen door het NeijeRaethuys zoveel mogelijk open te stellen voor het publiek, maar ook door onze projecten op de scholen of het projectmatig werken in kleine groepen in ons nieuwe ‘heemkundehuus’. Dit
kan door middel van het geven van lezingen, workshops en dergelijke. Ook het museale gedeelte zal hiertoe bijdragen.

Voor wij optimaal gebruik kunnen maken van het historische gebouw, zullen er nog wel enkele werkzaamheden moeten worden verricht. Daarom is de officiële opening voor genodigden gepland op zaterdag 26 januari 2019. Leden van de vereniging krijgen op zondag 27 januari de gelegenheid om de huisvesting te bekijken. In het eerste weekend van februari zijn er open dagen en kan de héle bevolking het Neije Raethuys komen bewonderen en zich laten informeren over onze activiteiten.

Rob Vister

Wat zeggen de stenen? (pag 4)

Voordat de Heemkundekring Bergh haar nieuwe onderkomen, het voormalige stadhuis aan de Hofstraat in ’s-Heerenberg, kon betrekken, vond er een intensieve verbouwing en renovatie plaats. Een buitenkansje voor de archeologische tak binnen de club, die op verzoek van de gemeente Montferland waarnemingen naar de fundamenten en kelder van het Neije Raethuys deed, wat ook de aloude kwestie van de exacte locatie van het Ailden Raethuijs nieuw leven inblies. Het Neije Raethuys archeologisch benaderd.

Het is niet ongewoon dat mensen hun net betrokken pand van alle kanten besnuffelen en bekloppen. Mensen met een hang naar archeologie gaan echter een stapje verder en zouden het liefst, praktische bezwaren en huisgenoten ten spijt, de onderste steen bovenhalen.
De archeologische werkgroep was dan ook in haar nopjes toen haar gevraagd werd de graafwerkzaamheden van de aannemer te begeleiden en een bouwhistorische beschrijving van de fundamenten en kelder van het voormalige stadhuis te maken: met permissie grasduinen in een historisch interessant stukje ’s-Heerenberg! Afijn, u begrijpt. De mouwen werden opgestroopt en de neuzen gingen richting elk muurtje, voorwerp en grondspoor dat tevoorschijn kwam.

KEES BROK

Advertentie van hotel-pension Berg en Boschzicht.

Montferland, een eigenlandsch Vacantieparadijs (pag 12)

De titel van dit artikel is dezelfde als van een publicatie in het Avondblad van de krant Het Vaderland d.d. 15 september 1932. Dat deel van dit dagblad waaruit voor onderstaand verhaal is geput bevindt zich sinds kort in het archief van de Heemkundekring Bergh, maar is enigszins beschadigd. Gelukkig is de krant gedigitaliseerd en voor iedere belangstellende in te zien (zie kader Digitaal).
Wat waren alle Montferlandse horeca-ondernemers in de wolken met het extreem lovende toeristische artikel van in hotel Montferland verblijvende Haagse verslaggevers van Het Vaderland. Vooral ook was Joannes Albertus van Raaij in Zeddam hiermee in zijn nopjes, de uitbater van hotel-pension Berg en Boschzicht aan de Benedendorpsstraat. Hij had als enige ondernemer een advertentie laten plaatsen op een prominente plek binnen het artikel. Het had hem wel ruim zes gave guldens gekost, wat overeenkwam met de prijs van twee dagen vol pension, maar het was hem heel wat waard om de nog niet door de grote economische crisis getroffen Haagse dames en heren te verleiden naar zijn etablissement af te reizen.

ANDRÉ STUIVENBERG

Detail uit ‘Caerte van de graafschap Berghe’ van de hand van de Xantense cartograaf Theodor Bucker (1727). Archief Huis Bergh.

Langs Berghse havezaten V (pag 16)

Vanuit de Vethuzense klei naderen we op onze tocht langs Berghse havezaten mijn geboortedorp Zeddam, dat – de oude naam Seydehem zegt het al – in het zand tegen
de Montferlandse heuvels aan ligt. Op de rand van klei en zand bevindt zich het doel van ons bezoek. In de naam van havezate De Padevoort wordt ons verteld dat het om
een ‘voort’, een doorwaadbare plaats in een beek of rivier, ging.
Bij ‘voort’ denken we aan plaatsen als Lichtenvoorde, Amersfoort, Coevorden en verder weg aan Frankfurt en Oxford. De betreffende stroom zou volgens de schrijvers van het in 1995 verschenen boek “Vinkwijk. Van Vinkkop tot Vinkebruuk” de Padde geheten hebben, maar dat wordt niet nader aangetoond. Etymologisch is het ‘Pade-‘ mogelijk eenvoudig met het woord ‘pad’ te verklaren; ‘padden’ betekent ‘schrijden, treden’.Het broekland tussen de stuwwal Montferland en de rivieren Rijn en Oude IJssel was immers ten tijde van de bouw van de oorspronkelijke havezate een nog niet geheel ontgonnen moerassig gebied.
We zien op de kadastrale kaart van 1811 dat langs de Padevoort de weg van Lengel naar Braamt loopt, die aldaar de Vinkwijkseweg heet. Met Vinkwijk wordt
volgens het genoemde boek ‘veenwijk’ bedoeld. “’t Kwam regelmaotig veur, dat as de Rien ’t water niet vlot genog kwiet kon, ’t Rienwater d’r bi-j Bislich aoverhen ging en ’t zoch zich dan ’n weg deur de laegtes naor de Olde Iessel.” Dat water stroomde dan langs onze beide havezaten Padevoort en Kemnade.
De oudste vermelding van de Padevoort dateert uit 1272. Er is sprake van Hendrik van Hessehusen die de ‘Pedelvuort’ aan de pastoor van Zeddam verkoopt. In 1281 wordt het goed door deze Heer Jacob overgedragen aan het klooster Bethlehem tussen Doetinchem en Gaanderen. In 1375 blijkt de naam van het huis inmiddels overgenomen te zijn door de bewoners.
Johan van de Padevoort wordt als eerste van dit geslacht genoemd in een document met betrekking tot de regeling van de landsvrede van Zutphen, waarbij het om de erfopvolging in Gelre ging. Anton van Dalen schrijft in “Gelderse historie in de Liemers ”dat, omdat ze beiden een helft van het huis in bezit hadden, er mogelijk een familierelatie met de Van Lenghels was en van beiden wellicht met de Van Zedems, de oorspronkelijke bewoners van deze hof”. Maar over dat geslacht Van Zedem tasten we in het duister. De Van de Padevoorts maken, aldus Van Dalen “niet de indruk dat ze tot de vrije ridderschap hebben behoord.”
De naam Padevoort wordt overigens in onze streektaal als Pavert uitgesproken. Dat komt overeen met oudere schrijfwijzen als bijvoorbeeld ‘Pavort’. De familienaam Van de Pavert is nog steeds in de regio aanwezig.

ANTOON BERENTSEN

Tekst: Anneke Lukkezen

Deel deze pagina