Barghse Weurd - Woord van de Maond

Geplaatst op woensdag 7 november 2018 om 18:26 — Laatst bijgewerkt op donderdag 8 november 2018 om 22:04

'Barghse weurd' is de rubriek, woor de warkgroep leuke, interessante dialekweurd veur 't voetlicht wil brenge. Ze komme ofwel zo van de straot of uut onze woordverzamelingen op Berghapedia of in 't 1988 verschene woordeboek 'n Trop Barghse Weurd. Heb gi-j eiges ook 'n woord da'j in 't zunneke wilt zette, stuur 'm ons dan via 't kontakformulier. Vermeld s.v.p. 'bericht veur de dialek-warkgroep'.


Woord van de maand mei 2019: Mien

Wat ligt er meer voor de hand als in de maand mei te kiezen voor mien als woord van de maand?

Zoals vorige maand met de Nederlandse ui-klank gaat het dialect ook met de ij-klank een stuk economischer om. Waar de ui in het dialect een uu wordt (of beter gezegd: blijft, want die klank is ouder), zo wordt de ij een i-klank. Van dialectsprekers hoor je in dit verband wel hoe hun dialect hen geholpen heeft om in de Nederlandse spelling het verschil tussen ei en ij te managen: dialectklant ei krijgt een korte ei in het Nederlands en dialectklank ie wordt met een lange ij gespeld.

Terug naar mien. Zoals het woordenboek “Zaenderse Praot van A tot Z” laat zien, is mien in ons dialect zowel een persoonlijk als een bezittelijk voornaamwoord.

Hoe bijzonder (biezonder!) is het dat de Liemerse dialecten de twee voornaamwoorden in één pot gooien? Eigenlijk niet. Het is een bekend verschijnsel dat andere talen één enkel woord kunnen hebben voor iets, waar andere talen een onderscheid maken. Denk aan het Nederlands dat rijden van varen onderscheidt en het Duits dat enkel fahren kent. Ofschoon: het Duits onderscheidt weer reiten van fahren, waar het Nederlands alleen rijden gebruikt.

In de elektronische woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND) vinden we mij als mien van Drente, over de Veluwe tot aan Zeeland. Het eWND is echter nog lang niet compleet. Het wacht bijvoorbeeld nog op onze WALD-woordenboeken en op de Telgen ervan. Hoe het zit met mien in ons gebied, wordt duidelijk als je de uitkomsten van de dialect-enquetes bekijkt. Die enquetes worden in beide regio’s regelmatig gehouden. Ons werkgroeplid Toon Hebing uit Zeddam bijvoorbeeld doet daaraan mee. De deelnemers verstrekken de informatie voor zowel de WALD-woordenboeken als voor de Grammatica van de Achterhoekse en Liemerse dialecten (GRALD). Die grammatica is echter nog in voorbereiding en zal t.z.t. in boekvorm verschijnen.

Hier, met dank aan dialectoloog Lex Schaars, de resultaten voor het Nederlandse voornaamwoord ‘mij’. De verkorte plaatsnamen zijn voor de geoefende lezers van deze rubriek ongetwijfeld gemakkelijk te herkennen.

01 mien: Gor, Harf, Alm, Eef, Zut, Wich, Vor, Aal, Din, Gen, Voo, Ulf, Sil, Wesd, Zel, Doet, Gaa, Wehl, Kep, Dre, Hen, Baa, Tol, Does, Ang, Lat, Wesv, Groes, Zev, Did, sHe, Sto, Zed, Pan, Her, Lob.

02 mie: Gor, Alm, Ruu, Lar, Bor, Gees, Eib, Win.

03 miej: Vor, Gels, Haa, Nee, Rek, Aal.

04 mi-j: Eib, Bel, Groen, Aal, Win, Din, Vars.

Hoe fraai en poëtisch het mien kan klinken, laat tenslotte de Liemerse streektaalzanger Frans van Gorkum in een gevoelig lied horen:

Gi-j bin mien zo nao

Gi-j bin mien zo nao, gi-j bin mien zo nao.
Gin woord kan ik waegen, a’k vlakbi-j ow stao.

Het licht in ow ogen is mien onbekend.
Maor ik heur van zo hoge, als gi-j bi-j mien bunt.
Ik kan het niet dujjen hoe’k veur ow bestao.
Toch mo’j van mien wetten: gi-j bin mien zo nao.

Ik mot aan ow wennen, maor leer langzaam meer.
Ik mot zovöl kennen en gi-j aevenzeer.
Hoe lang mot het duren veurda’k ow verstao.
Kan allenig maor vulen: gi-j bin mien zo nao.

Gi-j könt mien zo faelen. Ik zuuk ow zo duk.
T’is mien um het aeven. Het mik mien niet stuk.
Ow stem blief ik heuren. Ze klinkt in mien nao.
Het blief alsmaor duren. O gi-j bin mien zo nao.

Ik wil ow benumen, want ik het ow zo graag.
Ik wil ow beruren: ow zin alledaag.
Aan ow bun’k verlaoren, aan dat tjoenkend gevuul.
In mien al bu’j gevaren. Gi-j bin mien zo nao.

NB: Na sluitingstijd hier nog interessante taalhistorische achtergrondinformatie over het gebruik van ‘mijn’: https://www.neerlandistiek.nl/2019/03/doet-men-maah-een-bieahtje-het-gebruik-van-mijn-voor-mij-in-het-zeventiende-eeuwse-nederlands/


Woord van de maand april 2019: Duiven

Volgens de logopedistes, waarmee ik tijdens mijn opleiding geconfronteerd werd, kon ik er niets van. Ik sprak de Nederlandse ui-klank uit als ui-j. Ze wilden me leren, hoe ik die ui zonder j op het eind moest uitspreken. Dat ging me te ver. Ik leerde immers niet voor leraar Nederlands en die ui interesseerde me ook niet. In mijn moedertaal hadden we die immers niet nodig. Daar kwamen we met de u prima rond.

Hoe kom ik daar nu op? Onlangs mocht in voor de Historische Kring Duiven-Groessen-Loo een verhaal houden over het Liemerse dialect en in het bijzonder over dialectverlies. Dat is in Duiven bijzonder actueel, want het dialect is daar geheel uit het straatbeeld verdwenen.

Bij de voorbereiding van mijn praatje merkte ik op dat de Duivenaren hun plaats met een Nederlandse ui-klank uitspreken en niet met een u zoals de Huissenaren dat met hun plaats doen. Hoe komt dat, vroeg ik me af. Het lijkt er op dat Duiven meer dan Huissen vernederlandst is. Letterlijk door de enorme bevolkingsgroei van 500% sinds 1950, maar ook figuurlijk door het afzweren van de ui. Dat laatste gaat zelfs zo ver dat men de vogel, die in het Nederlands duif heet, tot mascotje heeft verkozen. De dialectklank u verschijnt alleen nog als folkloristisch element in o.a. het festijn dat sinds tien jaar elke laatste zondag van september plaatsvindt: "Duuve te gek."

Het betreft helaas zowel een taalkundig als een historisch misverstand.

Het Nederlands kent een drietal tweeklanken (au/ou, ij/ei, ui), waarvan met name de klank ui het moeilijkst uit te spreken is, niet alleen voor buitenlanders! Voor die uitspraak moeten immers twee commando’s tegelijk uitgevoerd worden: de tong moet zowel laag in de mond als hoog in de mond zijn. Geen wonder dat in dialecten de ‘zuivere’ ui-klank niet voorkomt. Ofwel wordt het één klank: een uu in het oosten van het land, of een ui-j zoals ik hem probeerde. Het is interessant op te merken dat de ui en ook de ij tot zeker in de 17e eeuw niet als tweeklank (diphtong), maar als één klank (monophtong) werden uitgesproken. Ons dialect heeft die uitspraak aangehouden en is niet meegegaan met de later opgetreden diphtongering vanuit de Zuidelijke Nederlanden.

Dat de Duivenaren hun dorpje Duve noemden, was voor de Duivense, uit Kleef afkomstige burgemeester Johann Wilhelm Koch (1760-1833) zo klaar als een klontje. Hij was immers onderwijzer geweest, voordat hij in de ambtenarij terecht kwam. Hij werd tenslotte burgemeester, toen Duiven -net als Huissen- nog tot Kleef, d.w.z. tot Pruissen, behoorde. Dat bleef zo, ook onder Frans en uiteindelijk na 1815 onder Nederlands bestuur. Zijn sympathie voor de Liemerse mensen moet groot geweest zijn: Hij zocht naar een mogelijkheid om de plaatsnaam zo te spellen, dat die overeenkwam met de dialectuitspraak. Aanvankelijk was het Duven, maar na een paar dagen werd het Duiven. Zo voorkwam hij dat de uitspraak Doeven werd. De letter i in Duiven dient net als bij Huissen, Loil en Oisterwijk als verlengingsteken gezien te worden. De spelling Duiven leverde dus de uitspraak Duuve -met een lange u- op! Zolang de Duivenaren plat spraken, was er niets aan de hand. Maar heden ten dage is de verwarring compleet! De plaatsnaam komt namelijk van het Oudgermaanse thuba, d.w.z. van het verkleinwoord daarvan thuvine . Dat was de term voor een natuurlijke verhoging in het land. Duiven ligt namelijk op een rivierduin of donk.

Wie overigens wil weten waar het Nederlandse woord ‘ui’ vandaan komt, raadpleeg: http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/ui


Woord van de maand maart 2019: Gaar

Wie op aswoensdag gaar is van drie dolle dagen, hoeft zich gaar gin zörge te maken, want met askruuske en hering kan zij/hij er weer veertig dagen tegenaan. Misschien is er dan ook tijd om eens na te denken over al die fantastische teksten in ons mooie dialect die tijdens optochten, carnavalszittingen en in de carnavalskranten te horen en te lezen waren. We voelen ons juist in deze tijd extra thuus als we onze eigen taal om ons heen horen.

In deze rubriek beantwoord ik graag vragen naar herkomst en betekenis van dialectwoorden. In de laatste maand werd gevraagd naar het woordje gaar, dat in de grammatica een bijwoord van hoedanigheid wordt genoemd. Dat gaar komt in het dialect uitsluitend in negaties, d.w.z. ontkenningen, voor. Er wordt afwezigheid of onwenselijkheid mee uitgedrukt. Het heeft een versterkende functie in combinatie met niet/gin/niks.

Je zou kunnen denken dat we het hier aan de grens uit het Duits hebben overgenomen, maar dat lijkt niet het geval als je bekijkt, waar het allemaal voorkomt. Volgens de elektronische Woordenbank van de Nederlandse Dialecten (eWND) komt het woord in de hier gebruikte betekenis in dialectwoordenboeken van het Limburgse Thorn tot aan het Noord-Hollandse Wormerveer voor. Het 1850 verschenen woordenboek van het Kempens dialect van de hand van ‘meester’ Peter Panken vermeldt dat het woord gaar staat voor gansch, volstrekt. Hij voegt toe -en dat is helaas typerend voor de kijk op dialect in eigen kring door diegenen die doorgeleerd hadden- dat ons woord gaar “algemeen in den minbeschaafden volksstand” voorkomt. ”Ik heb gaar geenen honger. Mijn buurman komt sedert kermis bij mij gaar niet meer in huis.”

Het Nederlands kende sinds de 18e eeuw ook de samentrekking helegaar voor geheel en al. Het komt nog wel in het dialect van Vlaanderen, Limburg en in West-Friesland voor.

In het Duits wordt het woord gar behalve in de bovengenoemde ontkennende functie in nog bredere zin gebruikt als versterking, bijna synoniem aan ganz, vaak ook in combinatie ermee: Kinder haben die Fähigkeit, ganz und gar abzuschalten. Of in de betekenis van zelfs: Manche Menschen beschreiben gar das Leben als eine Pilgerreise. Het woord wordt in de laatstgenoemde zin dus als verkorting van sogar gebruikt.

En daarmee zijn we dan weer bij Bergh, waar in de carnavalskrant de Waskuup van 2018 te lezen was: In Stökkum op den uutkiektore köj zogaar Diem zien ligge. In ons woordenboek ’n Trop Barghse Weurd schrijft Henk Harmsen het woord zoals het eigenlijk uitgesproken wordt: zoga. Terwijl gar in alle Liemerse woordenboeken en zover ik kan zien ook in die van de Achterhoek voorkomt, zien we zogaar alleen in Bergh. Mogelijk dus wel een ontlening uit het Hoogduits.

Maar waar komt dit simpele woord gaar nu vandaan? Het heeft een respectabele leeftijd van tenminste 1000 jaren, want komt in het oudnederlands als garo voor in de zin: garo herta min (mijn hart is gereed, bereid). Het komt in die tijd evenzeer voor in het oudsaksisch, oudhoogduits, oudnoors en oudengels voor. De etymologie is onzeker. Er zijn twee -onbevredigende- theorieen: De ene luidt dat het van het woord aru/earu/orr = gereed komt. De andere denkt aan de grondbetekenis koken en vewijst naar het oudindisch haras, dat gloed betekende. De betekenis van klaar, gereed verbindt zich vervolgens vooral aan voedsel, dat dus gaar is als het voldoende gekookt is. In het middelnederlands (15e eeuw) kon het woord gaer dan ook de betekenis van geheel en al aannemen.

En zo verklaart zich ook wat een halve gare is. Dat is in deze dagen niet moeilijk te vatten, toch?


Woord van de maand februari 2019: Wödt (1)

’t Werkwoord staat dit jaar centraal in het motto van de ’s-Heerenbergse carnavalsvereniging d’Olde Waskupen. Dat is een mooie aanleiding om het deze maand te hebben over het platte werkwoord. Als je mensen vraagt om eens een paar typische dialectwoorden te noemen, zijn daar meestal weinig of geen werkwoorden bij. Dat is jammer, want juist werkwoorden en hun vervoegingen wijken vaak sterk van het standaard-Nederlands af en zijn in die zin dus typisch dialect.

Laten we eerst ‘wödt’ eens onderzoeken. Het werkwoord worden wordt in ons dialect vaak als worre uitgesproken en derhalve in onze WALD-spelling ook zo geschreven. Opvallend is dat in het enkelvoud een klankverschuiving optreedt: worre > zi-j wödt (of wudt al naar gelang hoe je het uitspreekt). Die verschuiving komt in het Nederlands niet voor, maar wel ook in het Duits: werden > sie wird.

In tegenstelling tot het Duits, waar de klankverschuiving ook in de 2e person enkelvoud (werden > du wirst) voorkomt, hebben veel sterke (onregelmatige) werkwoorden bij ons die verschuiving alleen bij de 3e persoon enkelvoud. Denk aan maken > ik maak – gi-j maak – hi-j/zi-j/’t mik en gaon > ik gao – gi-j gaot – hi-j/zi-j/’t geet.

Ook in de verleden tijdsvorm vertoont ons dialect opvallende verschillen met het standaard Nederlands. Je zou – en dat hebben we in deze rubriek al vaker opgemerkt- kunnen zeggen dat het dialect taalstructuren heeft bewaard die in de standaardtaal al lang zijn verdwenen. Door veelvuldig gebruik afgevlakt zogezegd. Onregelmatige werkwoorden hebben in de standaartaal de neiging om langzaam regelmatig te worden. Als voorbeeld noem ik maken. In het Nederlands spreken we van maken > maakte, maar het dialect kent nog de verleden-tijds-vorm mie:k. De -ie- is bij maken dus in het dialect nog net zo aanwezig als in liep in het werkwoord lopen. In onderstaande kaart is dit te zien aan de rechtopstaande streepjes in het gebied van de Liemers en een deel van de Achterhoek en overigens ook in West-Vlaanderen en een deel van Zeeland. De Vlaamse dichter Stijn Streuvels schreef: Het miek haar misnoegd, zij was nijdig en kwaad op het kind. (uit: Stijn Streuvels: Het Kerstekind, 1911).

uit: Morfologische Atlas Van De Nederlandse Dialecten, dl.2, Amsterdam 2009

Woord van de maand februari 2019: Wödt (2)

Bij de Proot Platt Stammtisch-bijeenkomsten in Emmerik hoorde ik dat daar ook het werkwoord komen nog een -ie- in de verleden tijd heeft: kie:m. Dit staat nu ook zo in het nieuwe woordenboek van het Emmereks Platt. In de Liemers is de vorm kwam (in de 17e eeuw nog als quam geschreven!) gebruikelijk. Dat is trouwens in alle Nederlandse dialectwoordenboeken die in de elektronische Woordenbank van de Nederlandse Dialecten (eWND) opgenomen zijn het geval. Hoe kiem naar Emmerik kwam, is mij een raadsel. In het woordenboek van Rees en ook in het vorige Emmerikse woordenboek van 1997 staat de verleden tijd van kommen als ka:m of ko:m!

Wie eens een overzicht van al die onregelmatige werkwoordsvormen wil bekijken, neme het woordenboek van het Zevenaarse dialect “Zaenderse praot van A tot Z” (uitgave van de werkgroep dialect van de Cultuurhistorische Vereniging Zevenaar, 2011, pag. 146-149) ter hand. Onze HKB-bibliotheek beschikt over een exemplaar.

Mocht er ooit nog een cursus Plat Praote komen, dan hebben cursisten niet alleen op het gebied van de woordenschat, maar ook op dat van de grammatica nog heel wat te leren!


foto:  Antoon Berentse

Woord van de maand januari 2019: Moes met aek

In Westervoort zat op 13 december de zaal bij Wieleman stampend vol met liefhebbers van de traditionele stamppot die van Brabant tot Groningen moes genoemd wordt. Het woord dient -in elk geval bij ons- als moe:s met een lange klinker uitgesproken te worden. (Moes met korte klinker duidt op het bekende en niet zo geliefde kleine knaagdier, waarvan de meervoudsvorm muu:s is.) Op youtube (link) is te zien hoe de feestelijke maaltijd in Westervoort werd ingeluid. Ook de Vereniging Liemers-Niederrhein huldigt deze traditie. Op 16 januari vindt de “gezamelijke wintermaaltijd van boerenkool met rookworst, speklap en ribbetjes” in Babberich plaats. De regionale benaming is bij deze vereniging helaas teloorgegaan. In Bergh heeft de Heemkundekring de traditionele moes met aek voorafgaand aan zijn jaarvergadering vaarwel gezegd. Vorig jaar kwam de moes met èèk en wos nog in de maand juni op tafel bij d’Olde Waskupen na afloop van de prinsverkiezing. We mogen dus spreken van een zekere traditie die vooral in herfst en winter opgevolgd wordt. Een bekende grootgrutter heeft enkele jaren geleden daarom 24 oktober tot Nationale Boerenkooldag uitgeroepen.

Wat nu is de herkomst van dit woord moes? Het in het standaard-Nederlands en ook in het Duits gehanteerde woord kool (boerenkool/Grünkohl) zit er immers niet in. Hetzelfde geldt voor de azijn die bij ons aek genoemd wordt.

Het antwoord is verrassend simpel: Het Oudnederlands muos betekende niet meer of minder dan voedsel, eten! Dat eten werd vroeger vaak als een brijpot opgediend, vandaar dat de betekenis van moes zich langzaam vernauwde tot fijngehakt of fijngekookt voedsel. We zien het terug in het woord moestuin en het Duitse Gemüse en ook in de naam van een van de oudste straten van Amsterdam, de Warmoesstraat. In de standaartaal is het woord inmiddels verouderd, maar in veel dialecten komt het nog voor als benaming voor bepaalde soorten groente, zoals prei of boerenkool.

Dat ons woord moes ook nog in verband staat met het woord met van bijvoorbeeld metworst, is een volgende verrassende ontdekking. De beide ingrediënten moes en wos staan in een familierelatie. De wortel van het woord is te vinden in het Indogermaans en betekent nat worden, druipen (al dan niet van vet). In het Engelse woord meat herkennen de taalkundigen het Protogermaanse woord mata, dat voedsel betekende. Dat de betekenissen voedsel, vet en fijngehakt voorkomen in onze woorden metworst, mes, mest, moot, maat en meten is voor ons nu geen verrassing meer.

En hoe zit het met aek? Het woord is een gevulgariseerde vorm van het Latijnse woord acetum, dat wijnazijn betekent. De Griekse oxos was een goedkope, zure drank die vooral door soldaten werd gedronken. De Statenbijbel van 1637 spreekt van edik. Het woord komt in het Deens als eddike en in het Fries als jittik voor. Bij ons is het tot aek verbasterd, maar ik vrees dat nog maar weinig dialectsprekers het buiten de moes met aek-maaltijden om gebruiken. Het begrip lijkt echter in de kielzog van de tegenwoordige belangstelling voor culinaire geneugten en Heel Holland Bakt weder op te staan als modieuze term voor azijn met een laag zuurgehalte. Marga Vugs van ediks.com uit de Brabantse Peel haalt in een artikel in dagblad Trouw zelfs Jezus Christus als haar getuige erbij.

Aet smakelek!


Woord van de maand december 2018-1: Foel

Ik schrief disse weurd van de maond now sinds oktober 2017 en mien vult op dah ze duk toch heel köt zun. Now haop ik maor dah mien laezers niet de indruk kriege da’k ’n foelen donder bun. Doorum hier toch nog maor ‘n -weliswoor weer köt- woord, um ’t joor af te make.

Nee, veur foeligheid bun ik niet in de wieg geleid gelukkig. Ik had vrogger eerder las van foelzakke die mien wolle afsmere. Maor dah woord harre wi-j jao al in september. Door kump dus now nog ’t woord ‘foel’ (in de meeste WALD-woordebuuk als ‘voel’ geschreven) bi-j. ’t Wudt in onze streke steeds meer vervange deur ’t standaard-Nederlandse ‘lui’. Toch is ’t woord interessant genog, um nog effe te bekieke.

Sorry, now he’k uut foeligheid de intro gewoon in mien eige taal geschrevve. Even omschakelen dus.

Voor de oplettende lezer zal ’t duidelijk zijn, dat dit ‘foel’ in direkt verband staat met ’t Nederlandse ‘vuil’, ’t Duutse ‘faul’ en ’t Engelse ‘foul’. ’t Oudnederlandse ‘fūl’ betekende ‘verrot, smerig, ongunstig’. Uiteindelijk is het woord nog terug te voeren op een Grieks woord, waarin ook het element stinken een rol speelt. Niet voor niets is de Latijnse variant daarvan het woord ‘pus’! Het Duitse ‘stinkfaul’ combineert beide elementen. Ons dialectwoord ‘foel’ is dan ook niet alleen lui, maar ook gemeen en bedorven, en dat laatste letterlijk én figuurlijk. Een ‘foelboks’, ‘foelzak’ of ‘foelen strub’ is volgens ’n Trop Barghse Weurd (1982) ’n deugniet. Maar naar mijn gevoel is die vertaling aanzienlijk te mild. Wie ‘foeligheid’ uithaalt lijkt het in zijn/haar karakter te hebben. “Die jonges zitte vol foeligheid; ik bun beni-jd wat ze now weer uutgevraeten hemmen”, aldus ’t Gendringse woordenboek Woorden en weurd uut de grune grensgemeente Gendringen (1999). In de letterlijke betekenis van ‘bedorven’ wordt ‘foel’ wel gekoppeld met ‘t woord ‘ei’. Het kan echter, alweer volgens het Gendringse woordenboek, ook nageboorte van een dier betekenen, een betekenis die het woord al in het Middelnederlands (1200-1500) heeft.

Ofschoon ‘foel’ en ‘vuil’ hetzelfde woord zijn, valt op dat de betekenis ‘smerig’ in het dialect ontbreekt. Net zo overigens als bij het Duitse ‘faul’. Ons dialect kent -als het Duits- daarvoor het woord ‘drek’ (‘drekemmer, drekwagen’).

Woord van de maand december 2018-2: Foel

Volgens het Woordenboek van Achterhoekse en Liemerse Dialecten (deel De Mens D) komt ‘foel’ met name in de grensstreek met Duitsland voor. Vanuit de informatie van de metwarkers van het WALD werd dit kaartje gemaakt.

Omdat we geschreven woorden niet kunnen horen en we in deze rubriek ook geen audiolinks gebruiken, nog even iets over de uitspraak van het woord. Kenmerkend voor woorden als ‘foel’ is dat de klinker ‘oe’ lang uitgesproken dient te worden, eigenlijk net zo als in het Duits. In de WALD-spelling bestaat de mogelijkheid om dit met dubbele punt aan te geven: foe:l. Omdat we de spelling gemakkelijk hanteerbaar willen houden, maken we van die mogelijkheid meestal geen gebruik.


Woord van de maand november 2018: Kats

De website taaldacht.nl over vergeten woorden in het Nederlands weet het nog niet zo zeker. Is het woord ‘kats’ nu een vergeetwoord, of niet? Kats vergaete! is in onze Oost-Nederlandse streken nog redelijk bekend. Al onze Liemerse woordenboeken en ook die uit Twente en Drente kennen het woord in de betekenis van ‘helemaal, geheel en al’.
In Brabant en Limburg komt het ook in andere betekenissen voor: als ‘onvolwassen’ in bijvoorbeeld ‘kats jungske’ of als ‘vreemd’ in bijv. ‘een kats gezicht’.
Dat lijkt vanuit onze optiek vreemd, want het woord is immers volgens het etymologisch woordenboek van Van Haeringen uit 1936 van het Hoog-Duitse woord ‘ganz’ afgeleid, hetgeen exact met onze betekenis overeenkomt. Van Haeringen merkt op dat het in Nederlands “min of meer een boekenwoord gebleven is tegenover het volkswoord heel.
Ook dit lijkt weer vreemd, als je bedenkt dat het te onzent een dialectwoord betreft en dus als volkstaal gekenmerkt moet worden.

Maar toch lijkt er ook bij ons iets aan de hand met kats. Wat gebeurde er? Ik had een vertaling gemaakt, waarin ik het woord ‘kats’ met ‘graag’ verbond. In de taalkunde noemen we min of meer vaste woordcombinaties een collocatie. Welnu, toen ik deze aan mijn collega-dialectvrienden voorlegde, was de reactie dat je niet ‘kats graag’ kunt zeggen zoals je in het Duits ‘ganz gerne’ zegt. Toen ik in de WALD-woordenboeken en in de Telgen van het WALD ging kijken, kwam ik allerlei collocaties tegen met nogal negatieve betekenis:

Den olden is kats te kinde.
Den lappn is kats ekrökkeld.
Hi-j is kats van de kaat.
Katsgek (ook wel als: knatsgek).
Alle heur kats motte d’r af.
Deur ’t auto-ongeluk was’e kats veraltereerd.
Katrien wier kats bleuj.
De voering is kats kapot.

Alleen het woordenboek van ’t Gelders Eiland meldt iets positiever, dat ‘den diek kats vol stoeng’.

Betekent dit nu dat ik mijn dialectversie van bovenstaand logo moet aanpassen?


Woord van de maand oktober 2018: Uutvigeliere

Hij wilde weten, waar het woord ‘uutviegeliere’ vandaan kwam. Maar, omdat de bakker van bakkerij Dijkman - dus in ons dialect uitgesproken als bakkeri-j Diekman - kwam en ik me realiseerde dat we het hier met twee verschillende ij-en te maken hadden, wil ik in dit Woord van de Maond ook eens uutviegeliere hoe het zit met de ij in ons dialect.

In deel D van het Woordenboek van de Achterhoekse en Liemerse Dialecten onder de titel “De mens” meldt Lex Schaars: “ ’t warkwoord (zich) uutvigelieren kump weineg veur in onze streek”. Maar als je dit eens gaat uutvigeliere en de Liemerse woordenboeken (Telgen van het WALD) erbij neemt, dan blijkt het woord in vrijwel alle woordenboeken in onze regio opgenomen te zijn. Het woordenboek van het Gelders Eiland onder de mooie titel “Käöbelend aover ’t eiland van daerp tot dörp” komt zelfs met de toepasselijke zin: “We hemme nog ’n paor woordjes aover, wor we nog van motte zien uut te vigeliere wor die now feilek vandankomme.” Reden genoeg dus om te achterhalen, wat er achter dit woord steekt.

Welnu, ‘uutvigelieren’ is een voorbeeld van in de standaardtaal in onbruik geraakte woorden, die in dialecten overleefden. Het betekent zoveel als uitdenken, verzinnen, bedenken, overdenken. Het heeft een sjieke herkomst uit het Latijn: ‘vigilare’. Dat woord betekent waken, wakker zijn, maar in figuurlijke zin ook waakzaam zijn en zorg dragen voor. Op de koepel van de Lebuïnuskerk in Deventer staat de spreuk : Fide Deo, Vigila, Consule, Fortis Age. Vrij vertaald betekent dit: Vertrouw op God, wees waakzaam en bedachtzaam, handel kloekmoedig.

Bij het uitspreken van de naam ‘bakkerij Dijkman’ als ‘bakkeri-j Diekman’ komt al snel het besef dat de ij - net als de ui overigens - in onze streken niet echt thuis hoort. Waar komt die vandaan? Simpel: Onze i(e)-uitspraak van de geschreven ij is de originele, oude uitspraak in het hele Nederlandse en Nederduitse taalgebied. Woorden die we nu in de standaardtaal met een ij schrijven werden in de Middeleeuwen met een i geschreven. Om aan te geven dat deze i als lange klinker werd uitgesproken, werd die verdubbeld. Scinen (schijnen) werd zo sciinen. Later kreeg de tweede i een haaltje en werd zo een j. De reden daarvan was, dat er vaak geen puntje op de i gezet werd en je de ii zou kunnen verwarren met een u. Daarom ook werd soms een y gebruikt om de ie-klank weer te geven. Het toen nog mooie woord ‘wijf’ [wief] kon zo geschreven worden als wif, wiif, wyf en wief. We herinneren ons dat onze streekhistoricus A.G. van Dalen op dit schrijf-probleem in de inleiding van zijn “Gelderse historie in de Liemers” (1971) uitvoerig inging om te betogen dat we voortaan niet meer Lymers moesten schrijven, maar de uitspraak volgend, Liemers. De naam Dijkman dient dus oorspronkelijk als Diekman uitgesproken te worden. In die schrijfwijze komt ze in Duitsland het meeste voor, bijna 2700 keer. Maar de versie Dickmann wel 15.000 keer. Ik kwam die spelling onlangs nog tegen bij een ver familielid. De Dickmanns waren knechten op de Uferhof in Hüthum, aan de diek dus. Wie op de familienamenbank van het Meertens-Instituut kijkt, vindt de naam Dijkman vooral in de regio Liemers/Achterhoek/Twente en vanwege de emigratie natuurlijk in de grote stad Amsterdam.

En dan de i-j in bijvoorbeeld bi-jveurbeeld. Dat lijkt me een kwestie van het letterlijk uitspreken van de tot j geworden verlengings-i. Andere dialecten in Oost- en Noord-Nederland spreken die i-j immers als ie uit.

De tweeklank die we als ei schrijven is een heel ander verhaal. Wie daar meer over wil weten, moet maar eens kijken op de website van het Genootschap Onze Taal.


Woord van de maand september 2018: Afsmere

Ons Woord van de Maond opent ons de ogen voor de enorme flexibiliteit van taal, in het bijzonder van die taal die niet door taalregelaars van allerlei snit gereguleerd wordt: het dialect.

Als iets gesmeerd loopt, dan zien we in ons innerlijk oog goed geoliede machines op de achtergrond. Maar als je van die machines dan smerig wordt, dan is dat minder fraai.
Net zomin is het bepaald niet prettig om afgesmeerd te worden. Een niet-dialect-spreker zegt dit niets, maar wie onze streektaal machtig is en in haar/zijn jeugd wel eens aan den lijve ervaren heeft dat kinderen soms niet zachtzinnig met elkaar omgaan, die lopen de rillingen over de rug.
Online is afsmeren alleen nog in positieve zin te vinden. Als je taarten bakt of voegen dicht, krijg je ermee te maken.

Waar komt het woord vandaan? Smeer is afgeleid van een oud Germaans woord voor ‘vet’. Het komt zowel in Nederland als in Engeland, Duitsland en Skandinavie voor: denk aan smørrebrød . Mogelijk heeft het ook Griekse wortels (smāō is ‘wrijven, zalven’, dus eig. ‘stof om in te smeren of te zalven’). Het woord kreeg de overdrachtelijke betekenis van omkopen (> ‘smeergeld!) en ook van afranselen. Dat is de betekenis die wij in ons dialect nog gebruiken. Het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen vermeldt in 1908 dat het woord dan al ’geheel verouderd’ is. Afsmeren is het gemakkelijkst te begrijpen als “het strijkelings langsgaan met de hand, den stok enz., en ‘Af’ in den zin van ten einde toe. Van menschen en dieren. Ze zoo lang of zooveel smeren of ranselen, als men dienstig acht, of totdat men voldaan is”. Zo wordt het vermeld in het in Woordenboek der Nederlandsche taal (WND), dat overigens het omvangrijkste woordenboek ter wereld is. Het spreekwoordenboek van F.A. Stoet meent dat het woord ironisch bedoeld is en “eigenlijk wil zeggen: hem de huid lenig maken”.

Het dialect bewaart dus een in de hedendaagse standaardtaal al lang verdwenen woord.
Het lemma ‘afsmeren’ is in alle Liemerse woordenboeken te vinden, bovendien ook buiten onze regio. De website girlscene.nl raadt Limburgse meiden aan om zich van dit dialectwoord goed bewust te zijn! (Maar goed, wat is ‘Limburgs’? Mijn Zuid-Limburgse vriend Alex kent ‘t woord niet.)

Maar niet alleen conserveert het dialect ‘verouderde’ woorden, het kent ook een veelheid aan termen die het zelfde schrijnende gebeuren omschrijven. Dat doet ook de standaardtaal, maar dialecten doen daar nog een schepje bovenop.
In onze Liemerse woordenboeken lees ik de volgende: afdekkele, verkammezäöle, afzale/afzaele, afbössele, afbatere en afdreuge. Van deze wil ik kort nog ingaan op de variant die het woord ‘zaal’ of ‘zäöl’ in zich heeft.

Het WND kent het verkammezäöle als ‘geducht afranselen’ in de ‘volkstaal’. Voor een verklaring moeten we bij de Duitse etymologische woordenboeken zijn. Het huidige Duits kent het woord in deze betekenis nog wel. Het Latijnse woord ‘sola’ betekent ‘voetzool’ en ‘verzolen’ (‘mit einer Sohle beschlagen’) is dus het werk van een schoenmaker. In de 18e eeuw heeft deze hard-handige schoenlappersactiviteit een figuurlijke betekenis gekregen. Het wordt echter alleen als collocatie gebruikt en verbonden met het zelfstandig naamwoord ‘Hintern’: jemandem den Hintern versohlen. Of ons woordbestanddeel kamme(r) voor het Duitse ‘Hintern’ staat? Of voor een ‘bekend gereedschap met tanden’, zoals de kam in een oud woordenboek wordt omschreven? De oorsprong van het woord ‘kam’ vanaf het Oud-Indisch en Grieks betekent immers ‘bijten, kapotbijten’!
Wie zal het zeggen...


Woord van de maand augustus 2018: Aldernaars

In zijn lied ‘De hèùjmaker’(op de CD ‘Blief asteblief’ uit 1994) schrijft de Kilderse Zeddammer Henry Welling over de zon als hooimaker en verzucht ‘aldernaars wat ‘n hets’. Daaraan moest in de afgelopen weken denken, toen de temperaturen in Nederland de veertig graden naderden.
Ik zal het hier niet over ‘t door het Duits beïnvloede woord ‘hets’ hebben. Onder meer het Venloos kent het ook en het voorwoord van ons Berghs woordenboek ‘n Trop Barghse Weurd geeft een mooi staaltje van dit soort talige invloeden vanuit de naburige standaardtaal.
Ik werd getroffen door het bijwoord ‘aldernaars’ dat ik gelijk verstond als synonym met ‘alderbastend/allebastend’ en ‘alderjekes/allejekes’.

Woorden als ‘aldernaars’ hebben niet echt een betekenis, maar wel een functie. Ze dienen ter versterking, of het nu om hitte, kou of woede gaat. De taal kent doorgaans erg/heel/bijzonder en ja ook aldebastend/aldernaars en aldejeks veel woorden om zaken sterker en heftiger weer te geven.

Al onze varianten beginnen met het woord ‘al’. Dat drukt volgens een oud woordenboek ‘in 't algemeen een buitengewoon hoogen graad der hoedanigheid’ uit. De vormen ‘aller’ of ‘alder’ zijn superlatieven, dus een verdere versterking.
Spannend wordt het bij het tweede deel van de samenstelling. We zoeken dus naar -naars, -bastend en -jekes. Het zijn geen woorden die simpel na te zoeken zijn, maar enig speurwerk levert het volgende op:

Het bestanddeel -bastend is afgeleid van het werkwoord ‘barsten’. Dat wordt -bijvoorbeeld in de verwensing ‘Barst maar!’- als zeer krachtig ervaren. Bij ‘aldebastend’ zien we letterlijk het geweld over ons heen komen. De Achterhoekse popgroep Normaal maakte een lied met de titel ‘Alderbarstend hard’: “Moi, wi-j goat høken / En dat doe'w niet zachtjes, moar dat doe'w hard / Ik zei hard / Zo alderbarstend hard, 't kan niet harder goan.” Het woord is in deze betekenis te vinden in woordenboeken uit heel Oost- en Noord-Nederland.

De component -jekes is afgeleid van ‘jezus’. P. van Sterkenburg geeft in zijn in 2001 verschenen boek met de title ‘Vloeken’ een inventarisatie en analyse van vloeken en verwensingen in het Nederlands sinds de 12e eeuw. Hij noemt ‘aldejekus’ als variant van ‘allejezus’: “De betekenis van deze vloek is ‘almachtig’. Thans doet de vloek vooral dienst als versterkende uitroep van verbazing, ergernis enz., maar ook om woede en andere frustratie uit te drukken.“ Een ander woordenboek bestempelt het woord als “zeer informeel, (vooral) gesproken taal”.
Het Woordenboek van de Achterhoekse en Liemerse dialecten noemt als vindplaatsen de Liemerse plaatsen Zevenaar, Zeddam en Stokkum.

Sto: A'j 'n ulk vang, stink hi-j alderjekes. Ze könne zich ook heel goed veur dood holde. A'j ze dan örges neerleg, lope ze later weer weg. Dat ulke vange mo'j in de maoneschien doen met 'n fokshundje. Maor ze bun heel slouw en 't vilt dus niet met um ze in hande te kriege.

Naast ‘aldernaars’ vind ik ook het woord ‘aldernaast’ of in oude spelling ‘alrenaest’, dat ‘dichtbij’ betekent. Ik ben er echter van overtuigd dat ons ‘aldernaars’ geen varant daarvan is, simpelweg om redenen van dialectuitspraak. ‘Naast’ wordt in het dialect als ‘naos’, echter ‘naar(s)’ wordt net als in het standaard-Nederlands met ‘aa’ uitgesproken. Kortom, in lijn met de andere varianten wordt hier gezegd dat iets heel erg ‘naar’ (vervelend/erg) is. Deze variant van ‘aldebastend’ is alleen in het woordenboek ‘Waehls plat’, echter niet in de overige Liemerse en ook niet in Achterhoekse woordenboeken te vinden. Wel verschijnt ‘al(d)ernaarst , aldernoarst’ in een Gronings en in een West-Fries woordenboek. Wat de verbinding tussen die gebieden en Wehl is, heb ik niet kunnen ontdekken.

Een aardig kaartje met nog andere varianten van onze drie versterkingswoorden is te vinden op www.mijnwoordenboek.nl
In het Limburgs gebied, maar ook in West-Nederland, zien we daarop het ons bekende woord ‘ontiechelek’ en langs de oostgrens ook het woord ‘onmundig’.

PS:
In het verlengde van wat ik over ‘alder-‘ schreef, schiet mij te binnen dat mijn vader af en toe het woord ‘alderasie’ in de betekenis ‘ontsteltenis, verwarring’ of ook ‘enorme drukte’ gebruikte. Het woord is in onze woordenboeken niet, echter wel in die uit Twente, Stellingwerf en West-Friesland te vinden. Mijn vraag aan de lezers van Woord van de Maond is, of het woord in Bergh ook door anderen gebruikt werd/wordt.


Chronos

Woord van de maand juli 2018: Hötje

Een simpel dialectwoord om een beetje tijd uit te drukken; je vindt het in een strook van West- naar Oost-Nederland; in de 19e eeuwse Achterhoekse woordverzameling van J.H. Gallée en in alle Liemerse dialectwoordenboeken – maar waar het vandaan komt is een raadsel dat nergens opgelost wordt.

Uiteraard kent het woord ook andere betekenissen: ‘De hort op zun’ betekent onderweg of zelfs ook er vandoor zijn. ‘hort (huert) sijn’ betekende tot in de 17e eeuw ‘weg zijn’. Als je iets met ‘horten en stoten’ vertelt, spreek je met haperingen. ‘Hort’ en ‘stoot’ betekenen hier feitelijk hetzelfde. ‘Hort’ is het Oudfranse en ook Middelnederlandse woord voor ‘stoot’ en dat heeft zeer waarschijnlijk weer Latijnse wortels.

Wat nu de verbinding van ons tijd-woord ‘ho(r)t’ met deze laatste betekenissen is, wordt in de literatuur maar steeds niet duidelijk. Ook de anders zo behulpzame etymologiebank.nl brengt ons niet verder.

Een klein in 2011 verschenen ‘Boekske van de Aolburgse Taol’ uit het grensgebied van Gelderland en Brabant geeft een suggestie die weliswaar nergens geverifiëerd kan worden, maar die ik toch graag noem, gewoon omdat het plausibel klinkt. Het woord ‘hortje/hötje’ zou van het Franse ‘heure’ (tijd, uur) kunnen afstammen. Dat op zijn beurt komt dan weer van het gelijkbetekenende Latijnse ‘hora’.

Grappig is hierbij wel de vaststelling dat het Nederlandse woord ‘poosje’ zelf ook van het Frans en daarachter van het Latijn is afgeleid. Het Oudfranse ‘pose’ en het Latijnse ‘pausa’ betekenen ‘onderbreking/rust’, verpozing dus. Dit is precies het huidige Franse/Nederlandse/Duits woord ‘pause/pauze’.

Zijn we er nu uit? Ik vrees dat dialectologen hier nog een ‘hötje’ naar moeten zoeken!


Proot Platt Stammtisch Emmerek

Woord van de maand juni 2018: Pröll

Op 3 juni vond de eerste Duits-Nederlandse Praot Plat Stamtaofel / Proot Platt Stammtisch plaats. De dialectgroepen uit Emmerik en Bergh vertoonden op een zonnige zondagmorgen bij Schlösschen Borghees gezamelijk wat in Emmerik al 50 jaar elke maand goed gebruik is: Samen het café in en ‘Döntjes’ in ’t dialect vertellen en liedjes uit de eigen bundel zingen.

Naar aanleiding daarvan deze maand een Emmerikse woord-tip:
Tijdens een van de bijeenkomsten dit jaar gingen briefjes rond met Emmerikse spreuken. Op één daarvan kwam het mij onbekende woord ‘Pröll’, prul dus, voor.
De “prul verstoeke“? Wat zou dat zijn?

Het nieuwe Emmerikse woordenboek geeft uitsluitsel. Daar staat voor ‘Pröll’ de vertaling ‘Magen’ en ‘Prölle’ betekent ‘ingewanden/ darmen’. Het eveneens vorig jaar verschenen Reeser Platt-woordenboek geeft de vertaling van de uitdrukking “Ek glöv, ek hämm min de Pröll verstuckt”, betekent “Ich glaube, ich habe mir den Magen verdorben”. De woordenboeken uit Bergh, Wehl en Zevenaar geven hetzelfde beeld: “Hi-j het pien in de prul”. Een prullewöske, aldus Henk Harmsen in zijn ’n Trop Barghse Weurd, is een klein lever- of bloedworstje, dat na de slacht aan vrienden en bekenden wordt gegeven, ”um te pru:ve”.
We kennen het woord ‘prul’ uit de standaardtaal als een nietswaardig voorwerp.
Prullaria zijn dingen van geen of weinig waarde, een vod die de prullenbak in kan. Prulwerk is knoeiwerk. “Gooi den prulderi-j toch weg,” noteert Henk Harmsen in het Berghse woordenboek.

Voor wat de woordvorm betreft zou prul te vergelijken zijn met prut en prutsen die dezelfde beginklank en ook een negatieve betekenis hebben. Voor de -l is misschien te denken aan volksetymologische invloed van woorden als kul, lul, sul e.d. Als prul werd in de 16e eeuw echter ook een klein kind aangeduid. Prulleke is in die betekenis zelfs een goedaardige aanduiding, net als poppeke.
De Middelnederlandse betekenis van prul is ‘penis’.

Achter al deze betekenissen zit mogelijk de notie rond, vol, gezwollen. Het Duitse woord ‘prall’ drukt het nog steeds uit. “Ein praller Bauch” is een strak gespannen, uitpuilende buik. Als je “in der prallen Sonne sitzt”, dan zit je in de volle zon! Het Duitse woord ‘prall’
Zo laat ons dialect weer een stukje grensoverschrijdende (taal-)geschiedenis zien!


Woord van de maand mei 2018: Hummelig

In april werd de lezingen-serie Liemers Academie, ’n initiatief van ’t ECAL, afgesloten met ’n boeiend verhaal over ’t Liemerse dialect gezien vanuit de andere kant van de grens. Georg Cornelissen is daar als dé dialectoloog van ’t Rijnland en de Nederrijn bekend van boeken als ‘Wie spricht der Niederrhein?’ en van ’n prachtig klein boekje over de in onze regio veel aan te treffen familienaam Jan(s)sen.
Hi-j vertelde dat d’r niet zo veel woorden meer in ’t dialect zijn die niet ook in een of andere vorm in de standaardtaal (Nederlands of Duits) voorkomen. Zo’n uitsluitend in de streektaal voorkomend woord is ‘hummelig’.
Mijn speurtocht naar dit bijwoord levert inderdaad de constatering op dat het vrijwel alleen in de regio Liemers-Nederrijn, het gebied van het zogenoemde Kleverlands (zie wikipedia), nog enigszins voorkomt. Als ‘hummelig’ of ‘hömmeleg’ komt het zowel in de woordenboeken van Bergh, Gendringen, Wehl, Zevenaar, Pannerden voor als in de woordenboeken van Emmerik en Rees.

In alle gevallen betekent het woord hier ‘hulpbehoevend zijn’ en met name ‘minder vlot ter been’ zijn. “Jan wödt hummelig; ’t lopen geet ‘m moeilek af”, vermeldt het woordenboek Waehls Plat. Het vorig jaar verschenen woordenboek Reeser Platt vult aan dat hierbij vooral aan oudere mensen gedacht moet worden (gebrechlich, unbeholfen, kränklich, schlecht drauf, besonders von alten Leuten.)
Als we buiten onze regio gaan kijken wordt deze context geheel losgelaten en kunnen ook boekomslagen of vakantiewoningen ‘hummelig’ zijn. Die laatste, laat een vakantieganger weten, “was erg hummelig en sober, beschadigde deur kapotte koffie zet automaat, losse wastafel” etc. We voelen echter het verband met de bovengenoemde betekenis.

Als we nu vragen, waar het woord vandaan komt, dan zwijgen de naslagwerken. Maar even heen en weer bladerend kom je al snel op variaties als ‘hommel’ en ‘hommelen’. Dat brengt ons bij de hommel en zijn dof geraasch of gedruisch, aldus een woordenboek uit 1875. Het merkwaardige is dat hiervan zowel het nog bestaande woord ‘hummel(tje)’ voor ’n klein kind als ook het in de 18e eeuw nog bekende woord ‘hummeling’ in de betekenis van ‘stumper, stakker’ is afgeleid. Het werkwoord ‘hummen’ betekent ‘brommen, gedempt kuchen’. We zien de hummelige oude hummeling al hummend zijns weegs gaan.
Een andere link is -al verder bladerend- het woord ‘hompelen’. Dat woord is in tegenstelling tot ‘hummelig’ wel te vinden in de elektronische woordenbank van de Nederlandse dialecten en wel in dialectwoordenboeken aan de oostgrens van Nederland. ‘Hompelen’ of ‘hampele’ en ‘hoempele’ betekent hier net als het Duitse ‘humpeln’ – denk ook aan ‘Hampelmann’- zoveel als moeilijk/gebrekkig/kreupel lopen, strompelen.
Als we nu mogen vermoeden dat ons ‘hummelig’ uit de buurt van de bovengenoemde woordgroepen afkomstig is, dan zouden we, net als vaker gebeurt, te maken kunnen hebben met een ouder Nederlands woord dat in de standaardtaal in onbruik geraakt is. In de “Klucht van de stijve Piet” van schrijver Willem Dirckszoon Hooft uit 1682 ontmoeten we zo’n hummelige figuur in Amsterdam. “Hy hompelden, hy strompelden al schuddende voort”.

Net als ‘hommelen’, ‘huppelen’ en ‘hobbelen’ is het een klanknabootsing. We begrijpen het!

Link Berghapedia


Hans Philipsen, gepensioneerd hoogleraar Medische Sociologie Universiteit Maastricht

Woord van de maand april 2018: Onmundig

‘t is onmundig druk, dus deze bijdrage aan de rubriek Woord van de Maond komt met enige vertraging op 7 april.

U hebt het ongetwijfeld al gemerkt: Het dialectwoord van de maand april is ‘onmundig’.

En mocht u het niet gemerkt hebben, des te beter! Want dan is dit typische dialectwoord nog geheel en al in uw woordenschat thuis en geen ‘vergeetwoord’ geworden. Toch werd het onlangs nog in de vergeetwoordenlijst van het radioprogramma De Taalstaat opgenomen.

Hans Philipsen zag daarin een mooie aanleiding om een stukje te schrijven onder de titel “Onmundige politiek”, waarin hij zoveel als mogelijk dergelijke vergeten woorden opnam.

Hij schrijft:

“Afgelopen zaterdag werd een diploma uitgereikt aan onmundig. Deze term riep bij mij oude herinneringen op. Jaren geleden heb ik veel tijd doorgebracht in de Achterhoek. Het woord werd veel gebruikt, niet alleen door dialectsprekers. Toch is het een duidelijk regionaal woord. Bij mijn weten heb ik het nog nooit gehoord van mensen die geen enkele band met het oosten van Nederland hebben. De oorspronkelijke betekenis is helder: onmundig is onmondig en is oorspronkelijk een aanduiding van onvolwassen kinderen. Het huidige gebruik is anders. Het kan lopen van een niet per se/ negatief bedoelde aanduiding van jeugdige onbezonnenheid via een min of meer neutrale kenschets van achteloze ongemanierdheid tot een boze reactie op veronderstelde lompheid. Nog algemener is het gebruik van onmundig als versterking van een oordeel: onmundig lekker.”

Precies dat is het, wat mij als commentaar bij dit dialectwoord voor ogen stond. Maar, omdat ik het onmundig druk heb, laat ik die uitleg nu fijntjes aan Philipsen over.

Link Berghapedia


Smach

Woord van de maand maart 2018: Smach

Als actieve leden van de dialectwerkgroep zijn we steeds alert op oude dialectwoorden. Zo was Alouis Geerlings onlangs bij een lezing van de Schrieverskring Achterhook en Liemers:
Daor heurde ik een old dialect woord "smag of smach" veurkommen in een verhaal van veur de oorlog. Ik wet niet waor 't vandaan kump, maor ik heb 't vrogger wel duk geheurd. Misschien kump ‘t wel van "smachten naar".

Een tip dus voor onze rubriek Woord van de Maond. Wat vertelt ons de etymologie over het woord ‘smach’ of ‘smag’, zoals het in ons Berghse woordenboek ’n Trop Barghse Weurd wordt geschreven?
Alleereerst de vraag: Wat betekent het? Het nieuwe Emmerikse woordenboek Proot Platt omschrijft het als ‘großen Hunger’. Dat is net iets meer als de omschrijving met het simpele woord ‘honger’ uit onze Liemerse woordenboeken.
Voor de hand ligt dat het woord is afgeleid van ‘smaak’. Dat is ook inderdaad het geval.
Vanaf het Indogermaanse smag en het Oudhoogduitse smah heeft het woord telkens weer andere eindmedeklinkers gekend. Dat de ch- en de k-klank met elkaar wedijveren, is een bekend verschijnsel. Denk aan Nederlands maken en Duits machen. Zo verbaast het niet dat in ons dialect de ch-klank bewaard is, terwijl het Nederlands de k-klank heeft. Die komt trouwens wel voor in ons dialectwoord smake, dat zich dan echter weer door de onregelmatige vervoeging (smik – smie:k – gesmaak) van de regelmatige vorm van het Nederlandse werkwoord (smaakt – smaakte – gesmaakt) onderscheidt. Het Wehlse woordenboek Waehls plat (2011) noemt in dit verband ook het werkwoord smakse in de betekenis van smakken. In andere dialecten komt overigens ook smaggelen of smakkelen in de (positieve) betekenis van smikkelen voor.

En hoe zit het nu met Alouis’ vermoeden van een verband met het woord smachten? Jazeker, ook dat verband kan gelegd worden. Het Oudhoogduits smahi betekende klein. De betekenisverschuiving naar vergaan, wegkwijnen in het Middelnederlands ligt dan voor de hand. Het etymologische woordenboek van M. Philippa (2009) schrijft erover: “Doordat smachten altijd samenging met een hevig verlangen, bijv. naar vocht of voedsel, kon de betekenis overgaan in ‘hevig verlangen’“.


Woord van de maand februari 2018: Wah duch ow?

Op facebook is in de laatste dagen van januari deze post te vinden:
Zeh, gabber, hoe liek’t ow? Aj tusse al dah stompzinnege karnevalsgedoe nog efkes tied kun vinde, moj dih toch es efkes leaze. En vergeat nie dah muziekske te luustere. Wah duch ow? Za’k maor vas kaartjes bestelle?

De schrijver vraagt naar wat de lezer ervan vindt. Hij zegt niet “Wat vind jij?” In Oost-Nederlandse dialecten wordt daarvoor een oude vorm van het onpersoonlijke werkwoord ‘dunken’ gebruikt.
Niet met ‘gi-j’ als onderwerp in de zin, maar het woord ‘ow’ als lijdend voorwerp. De werkwoorden ‘dunken’ en ‘denken’ lijken erg op elkaar. De woorden hangen dan ook etymologisch nauw samen.
De vorm ‘duch’ is interessant, omdat het verwijst naar de oude verledentijdsvorm van ‘dunken’ (‘docht’ in het Nederlands en ‘deucht’ in ’t Duits). Het werkwoord ‘denken’ kent immers ook een ‘ch’ in de verleden tijdsvorm (‘dacht’). Het dialect heeft in de tegenwoordige tijdsvorm de ‘ch’-klank overgenomen.

En nog iets … het bovenstaand citaat laat nog zo’n constructie met ‘ow’ in dezelfde betekenis van ‘ergens iets van vinden’ zien: “Hoe liek ’t ow?” Het standaardnederlands gebruikt het werkwoord ‘lijken’ vooral in de niet-vragende vorm: “Mij lijkt dat ….”. Het dialect kan beide kanten op: “Liek ow dah wah? > Dah liek mien niks!”

Woord van de maand Januari 2018: Krek

't bi-jwoord 'krek' wurdt as typisch dialekwoord ervare. Maor krek as völ andere weurd uut ons dialek kump 'krek' niet uut de loch valle. Dialekte zun duk 'n soort archief met weurd die in de standaardtaal al lang niet meer gebruuk worre. En 'krek' het ook nog 'n heel deftige oorsprong, want kump uut 't Frans. In de uutspraak worre toonloze klinkers duk weggelaote. Ons woord kleur kump van 't Frans couleur, krant van courant, kraal van koraal. En ons woord van de maond krek is van 't Franse correct. Vrogger nuumde ze 'n vrouw die goed op heur zake paste 'n krek wief. In Nederlandse dialekte wurdt 't woord (soms ook as krekt of krak) gebruuk veur: juist, precies. Bekend zun verbindinge as krek 't eigeste (precies hetzelfde) of krek 'n jaor later (precies een jaar later).

Dit is aoveriges allemaol nao te kieke op de in 2010 deur taalkundige Nicoline van der Sijs opgezette online etymologie-databank: http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/krek

Berghapedia: Krek


Origineel:  Chancy and the Grand Rascal (1966)

Woord van de maand December 2017: Gannef/Gannever/Garrever

Van de Liemerse woordenboeken komt het woord alleen in 't Gendringse woordenboek uit 1999 voor. 'Gannef' is niet bepaald een woord dat je graag hoort of gebruikt, maar van oudere mensen kun je het af en toe in verschillende varianten nog horen als ze op lieden afgeven, waar ze niet over te spreken zijn. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse woord גַּנָּב. (ganav = dief). Vandaaruit kwam het terecht in het Jiddish, de taal van de Europese joden, en vervolgens in het Bargoens, de taal van de dieven. We kennen het uit het Duits als 'Ganove', waar het niet alleen misdadiger en bedrieger betekent, maar ook als scheldwoord gebruikt wordt. Maar ook het standaard-Nederlands kent het woord 'gannef'. Je hoort het niet meer. De Amsterdammers zeggen 'boeffie'.

Berghapedia 'Gannef'


Woord van de maand November 2017: Betuun

Disse maond wille wi-j graag aandach bestede aan 't woord 'betuun'. Dialekgroeplid Henk Harmsen schref daor 'n hele pagina aover in 't septembernummer van OER, 't cultuurhistorisch tiedschrif veur Achterhoek en Liemers. 't Woord kump veur in 't Berghapedia-artikel aover balkebri-j. In volgende zin wurdt de betekenis geliek duudelek:
"... zowat huus an huus (wier) un poetje geslach. Veural in de oorlog, toen ut vleis betuun was. Ut brach un hoop wark met zich met, dat slachte...".

't Instituut veur de Nederlandse taal lut wette dat 't woord in verschillende uutspraakvariante (beteun, betuin, betuun) in heel Oost-Nederland veurkump. Somt ook met toegevoegde d of t. De herkomst van 't woord is niet helemaol te achterhale. D'r liek sprake van 'n betekenisverschuving. Bi-jveurbeeld van `tussen tweeën, aan beide kanten ingesloten' naar `beperkt, schaarsch'. Zo kö-j 't laeze a'j d'r van uut gao dah 'betuun(d)' van 't Middel Nederlands betunen `omtuinen, omheinen' afkump. Ook wurdt 't veur meugelek geholde dat 't van 't Old-Noors gitiunian `schaden', 't Noors tjona `verdwiene' en 't Islands tyna `te gronde gaon' heergeleid zol könne waeze. Ingewikkeld! Gin wonder dah zukke weurd betuun zun.

Berghapedia 'betuun'

Tekst: Antoon Berentsen

Deel deze pagina




Canon van BerghLid worden van de HKB?'t Raethuys
Bestel hier »