Barghse Weurd - Woord van de Maond

Geplaatst op vrijdag 2 februari 2018 om 18:26 — Laatst bijgewerkt op dinsdag 10 juli 2018 om 17:32

'Barghse weurd' is de rubriek, woor de warkgroep leuke, interessante dialekweurd veur 't voetlicht wil brenge. Ze komme ofwel zo van de straot of uut onze woordverzamelingen op Berghapedia of in 't 1988 verschene woordeboek 'n Trop Barghse Weurd. Heb gi-j eiges ook 'n woord da'j in 't zunneke wilt zette, stuur 'm ons dan via 't kontakformulier. Vermeld s.v.p. 'bericht veur de dialek-warkgroep'.

Chronos

Woord van de maand juli 2018: Hötje

Een simpel dialectwoord om een beetje tijd uit te drukken; je vindt het in een strook van West- naar Oost-Nederland; in de 19e eeuwse Achterhoekse woordverzameling van J.H. Gallée en in alle Liemerse dialectwoordenboeken – maar waar het vandaan komt is een raadsel dat nergens opgelost wordt.

Uiteraard kent het woord ook andere betekenissen: ‘De hort op zun’ betekent onderweg of zelfs ook er vandoor zijn. ‘hort (huert) sijn’ betekende tot in de 17e eeuw ‘weg zijn’. Als je iets met ‘horten en stoten’ vertelt, spreek je met haperingen. ‘Hort’ en ‘stoot’ betekenen hier feitelijk hetzelfde. ‘Hort’ is het Oudfranse en ook Middelnederlandse woord voor ‘stoot’ en dat heeft zeer waarschijnlijk weer Latijnse wortels.

Wat nu de verbinding van ons tijd-woord ‘ho(r)t’ met deze laatste betekenissen is, wordt in de literatuur maar steeds niet duidelijk. Ook de anders zo behulpzame etymologiebank.nl brengt ons niet verder.

Een klein in 2011 verschenen ‘Boekske van de Aolburgse Taol’ uit het grensgebied van Gelderland en Brabant geeft een suggestie die weliswaar nergens geverifiëerd kan worden, maar die ik toch graag noem, gewoon omdat het plausibel klinkt. Het woord ‘hortje/hötje’ zou van het Franse ‘heure’ (tijd, uur) kunnen afstammen. Dat op zijn beurt komt dan weer van het gelijkbetekenende Latijnse ‘hora’.

Grappig is hierbij wel de vaststelling dat het Nederlandse woord ‘poosje’ zelf ook van het Frans en daarachter van het Latijn is afgeleid. Het Oudfranse ‘pose’ en het Latijnse ‘pausa’ betekenen ‘onderbreking/rust’, verpozing dus. Dit is precies het huidige Franse/Nederlandse/Duits woord ‘pause/pauze’.

Zijn we er nu uit? Ik vrees dat dialectologen hier nog een ‘hötje’ naar moeten zoeken!


Proot Platt Stammtisch Emmerek

Woord van de maand juni 2018: Pröll

Op 3 juni vond de eerste Duits-Nederlandse Praot Plat Stamtaofel / Proot Platt Stammtisch plaats. De dialectgroepen uit Emmerik en Bergh vertoonden op een zonnige zondagmorgen bij Schlösschen Borghees gezamelijk wat in Emmerik al 50 jaar elke maand goed gebruik is: Samen het café in en ‘Döntjes’ in ’t dialect vertellen en liedjes uit de eigen bundel zingen.

Naar aanleiding daarvan deze maand een Emmerikse woord-tip:
Tijdens een van de bijeenkomsten dit jaar gingen briefjes rond met Emmerikse spreuken. Op één daarvan kwam het mij onbekende woord ‘Pröll’, prul dus, voor.
De “prul verstoeke“? Wat zou dat zijn?

Het nieuwe Emmerikse woordenboek geeft uitsluitsel. Daar staat voor ‘Pröll’ de vertaling ‘Magen’ en ‘Prölle’ betekent ‘ingewanden/ darmen’. Het eveneens vorig jaar verschenen Reeser Platt-woordenboek geeft de vertaling van de uitdrukking “Ek glöv, ek hämm min de Pröll verstuckt”, betekent “Ich glaube, ich habe mir den Magen verdorben”. De woordenboeken uit Bergh, Wehl en Zevenaar geven hetzelfde beeld: “Hi-j het pien in de prul”. Een prullewöske, aldus Henk Harmsen in zijn ’n Trop Barghse Weurd, is een klein lever- of bloedworstje, dat na de slacht aan vrienden en bekenden wordt gegeven, ”um te pru:ve”.
We kennen het woord ‘prul’ uit de standaardtaal als een nietswaardig voorwerp.
Prullaria zijn dingen van geen of weinig waarde, een vod die de prullenbak in kan. Prulwerk is knoeiwerk. “Gooi den prulderi-j toch weg,” noteert Henk Harmsen in het Berghse woordenboek.

Voor wat de woordvorm betreft zou prul te vergelijken zijn met prut en prutsen die dezelfde beginklank en ook een negatieve betekenis hebben. Voor de -l is misschien te denken aan volksetymologische invloed van woorden als kul, lul, sul e.d. Als prul werd in de 16e eeuw echter ook een klein kind aangeduid. Prulleke is in die betekenis zelfs een goedaardige aanduiding, net als poppeke.
De Middelnederlandse betekenis van prul is ‘penis’.

Achter al deze betekenissen zit mogelijk de notie rond, vol, gezwollen. Het Duitse woord ‘prall’ drukt het nog steeds uit. “Ein praller Bauch” is een strak gespannen, uitpuilende buik. Als je “in der prallen Sonne sitzt”, dan zit je in de volle zon! Het Duitse woord ‘prall’
Zo laat ons dialect weer een stukje grensoverschrijdende (taal-)geschiedenis zien!


Woord van de maand mei 2018: Hummelig

In april werd de lezingen-serie Liemers Academie, ’n initiatief van ’t ECAL, afgesloten met ’n boeiend verhaal over ’t Liemerse dialect gezien vanuit de andere kant van de grens. Georg Cornelissen is daar als dé dialectoloog van ’t Rijnland en de Nederrijn bekend van boeken als ‘Wie spricht der Niederrhein?’ en van ’n prachtig klein boekje over de in onze regio veel aan te treffen familienaam Jan(s)sen.
Hi-j vertelde dat d’r niet zo veel woorden meer in ’t dialect zijn die niet ook in een of andere vorm in de standaardtaal (Nederlands of Duits) voorkomen. Zo’n uitsluitend in de streektaal voorkomend woord is ‘hummelig’.
Mijn speurtocht naar dit bijwoord levert inderdaad de constatering op dat het vrijwel alleen in de regio Liemers-Nederrijn, het gebied van het zogenoemde Kleverlands (zie wikipedia), nog enigszins voorkomt. Als ‘hummelig’ of ‘hömmeleg’ komt het zowel in de woordenboeken van Bergh, Gendringen, Wehl, Zevenaar, Pannerden voor als in de woordenboeken van Emmerik en Rees.

In alle gevallen betekent het woord hier ‘hulpbehoevend zijn’ en met name ‘minder vlot ter been’ zijn. “Jan wödt hummelig; ’t lopen geet ‘m moeilek af”, vermeldt het woordenboek Waehls Plat. Het vorig jaar verschenen woordenboek Reeser Platt vult aan dat hierbij vooral aan oudere mensen gedacht moet worden (gebrechlich, unbeholfen, kränklich, schlecht drauf, besonders von alten Leuten.)
Als we buiten onze regio gaan kijken wordt deze context geheel losgelaten en kunnen ook boekomslagen of vakantiewoningen ‘hummelig’ zijn. Die laatste, laat een vakantieganger weten, “was erg hummelig en sober, beschadigde deur kapotte koffie zet automaat, losse wastafel” etc. We voelen echter het verband met de bovengenoemde betekenis.

Als we nu vragen, waar het woord vandaan komt, dan zwijgen de naslagwerken. Maar even heen en weer bladerend kom je al snel op variaties als ‘hommel’ en ‘hommelen’. Dat brengt ons bij de hommel en zijn dof geraasch of gedruisch, aldus een woordenboek uit 1875. Het merkwaardige is dat hiervan zowel het nog bestaande woord ‘hummel(tje)’ voor ’n klein kind als ook het in de 18e eeuw nog bekende woord ‘hummeling’ in de betekenis van ‘stumper, stakker’ is afgeleid. Het werkwoord ‘hummen’ betekent ‘brommen, gedempt kuchen’. We zien de hummelige oude hummeling al hummend zijns weegs gaan.
Een andere link is -al verder bladerend- het woord ‘hompelen’. Dat woord is in tegenstelling tot ‘hummelig’ wel te vinden in de elektronische woordenbank van de Nederlandse dialecten en wel in dialectwoordenboeken aan de oostgrens van Nederland. ‘Hompelen’ of ‘hampele’ en ‘hoempele’ betekent hier net als het Duitse ‘humpeln’ – denk ook aan ‘Hampelmann’- zoveel als moeilijk/gebrekkig/kreupel lopen, strompelen.
Als we nu mogen vermoeden dat ons ‘hummelig’ uit de buurt van de bovengenoemde woordgroepen afkomstig is, dan zouden we, net als vaker gebeurt, te maken kunnen hebben met een ouder Nederlands woord dat in de standaardtaal in onbruik geraakt is. In de “Klucht van de stijve Piet” van schrijver Willem Dirckszoon Hooft uit 1682 ontmoeten we zo’n hummelige figuur in Amsterdam. “Hy hompelden, hy strompelden al schuddende voort”.

Net als ‘hommelen’, ‘huppelen’ en ‘hobbelen’ is het een klanknabootsing. We begrijpen het!

Link Berghapedia


Hans Philipsen, gepensioneerd hoogleraar Medische Sociologie Universiteit Maastricht

Woord van de maand april 2018

‘t is onmundig druk, dus deze bijdrage aan de rubriek Woord van de Maond komt met enige vertraging op 7 april.

U hebt het ongetwijfeld al gemerkt: Het dialectwoord van de maand april is ‘onmundig’.

En mocht u het niet gemerkt hebben, des te beter! Want dan is dit typische dialectwoord nog geheel en al in uw woordenschat thuis en geen ‘vergeetwoord’ geworden. Toch werd het onlangs nog in de vergeetwoordenlijst van het radioprogramma De Taalstaat opgenomen.

Hans Philipsen zag daarin een mooie aanleiding om een stukje te schrijven onder de titel “Onmundige politiek”, waarin hij zoveel als mogelijk dergelijke vergeten woorden opnam.

Hij schrijft:

“Afgelopen zaterdag werd een diploma uitgereikt aan onmundig. Deze term riep bij mij oude herinneringen op. Jaren geleden heb ik veel tijd doorgebracht in de Achterhoek. Het woord werd veel gebruikt, niet alleen door dialectsprekers. Toch is het een duidelijk regionaal woord. Bij mijn weten heb ik het nog nooit gehoord van mensen die geen enkele band met het oosten van Nederland hebben. De oorspronkelijke betekenis is helder: onmundig is onmondig en is oorspronkelijk een aanduiding van onvolwassen kinderen. Het huidige gebruik is anders. Het kan lopen van een niet per se/ negatief bedoelde aanduiding van jeugdige onbezonnenheid via een min of meer neutrale kenschets van achteloze ongemanierdheid tot een boze reactie op veronderstelde lompheid. Nog algemener is het gebruik van onmundig als versterking van een oordeel: onmundig lekker.”

Precies dat is het, wat mij als commentaar bij dit dialectwoord voor ogen stond. Maar, omdat ik het onmundig druk heb, laat ik die uitleg nu fijntjes aan Philipsen over.

Link Berghapedia


Smach

Woord van de maand maart 2018: Smach

Als actieve leden van de dialectwerkgroep zijn we steeds alert op oude dialectwoorden. Zo was Alouis Geerlings onlangs bij een lezing van de Schrieverskring Achterhook en Liemers:
Daor heurde ik een old dialect woord "smag of smach" veurkommen in een verhaal van veur de oorlog. Ik wet niet waor 't vandaan kump, maor ik heb 't vrogger wel duk geheurd. Misschien kump ‘t wel van "smachten naar".

Een tip dus voor onze rubriek Woord van de Maond. Wat vertelt ons de etymologie over het woord ‘smach’ of ‘smag’, zoals het in ons Berghse woordenboek ’n Trop Barghse Weurd wordt geschreven?
Alleereerst de vraag: Wat betekent het? Het nieuwe Emmerikse woordenboek Proot Platt omschrijft het als ‘großen Hunger’. Dat is net iets meer als de omschrijving met het simpele woord ‘honger’ uit onze Liemerse woordenboeken.
Voor de hand ligt dat het woord is afgeleid van ‘smaak’. Dat is ook inderdaad het geval.
Vanaf het Indogermaanse smag en het Oudhoogduitse smah heeft het woord telkens weer andere eindmedeklinkers gekend. Dat de ch- en de k-klank met elkaar wedijveren, is een bekend verschijnsel. Denk aan Nederlands maken en Duits machen. Zo verbaast het niet dat in ons dialect de ch-klank bewaard is, terwijl het Nederlands de k-klank heeft. Die komt trouwens wel voor in ons dialectwoord smake, dat zich dan echter weer door de onregelmatige vervoeging (smik – smie:k – gesmaak) van de regelmatige vorm van het Nederlandse werkwoord (smaakt – smaakte – gesmaakt) onderscheidt. Het Wehlse woordenboek Waehls plat (2011) noemt in dit verband ook het werkwoord smakse in de betekenis van smakken. In andere dialecten komt overigens ook smaggelen of smakkelen in de (positieve) betekenis van smikkelen voor.

En hoe zit het nu met Alouis’ vermoeden van een verband met het woord smachten? Jazeker, ook dat verband kan gelegd worden. Het Oudhoogduits smahi betekende klein. De betekenisverschuiving naar vergaan, wegkwijnen in het Middelnederlands ligt dan voor de hand. Het etymologische woordenboek van M. Philippa (2009) schrijft erover: “Doordat smachten altijd samenging met een hevig verlangen, bijv. naar vocht of voedsel, kon de betekenis overgaan in ‘hevig verlangen’“.


Woord van de maand februari 2018: Wah duch ow?

Op facebook is in de laatste dagen van januari deze post te vinden:
Zeh, gabber, hoe liek’t ow? Aj tusse al dah stompzinnege karnevalsgedoe nog efkes tied kun vinde, moj dih toch es efkes leaze. En vergeat nie dah muziekske te luustere. Wah duch ow? Za’k maor vas kaartjes bestelle?

De schrijver vraagt naar wat de lezer ervan vindt. Hij zegt niet “Wat vind jij?” In Oost-Nederlandse dialecten wordt daarvoor een oude vorm van het onpersoonlijke werkwoord ‘dunken’ gebruikt.
Niet met ‘gi-j’ als onderwerp in de zin, maar het woord ‘ow’ als lijdend voorwerp. De werkwoorden ‘dunken’ en ‘denken’ lijken erg op elkaar. De woorden hangen dan ook etymologisch nauw samen.
De vorm ‘duch’ is interessant, omdat het verwijst naar de oude verledentijdsvorm van ‘dunken’ (‘docht’ in het Nederlands en ‘deucht’ in ’t Duits). Het werkwoord ‘denken’ kent immers ook een ‘ch’ in de verleden tijdsvorm (‘dacht’). Het dialect heeft in de tegenwoordige tijdsvorm de ‘ch’-klank overgenomen.

En nog iets … het bovenstaand citaat laat nog zo’n constructie met ‘ow’ in dezelfde betekenis van ‘ergens iets van vinden’ zien: “Hoe liek ’t ow?” Het standaardnederlands gebruikt het werkwoord ‘lijken’ vooral in de niet-vragende vorm: “Mij lijkt dat ….”. Het dialect kan beide kanten op: “Liek ow dah wah? > Dah liek mien niks!”

Woord van de maand Januari 2018: Krek

't bi-jwoord 'krek' wurdt as typisch dialekwoord ervare. Maor krek as völ andere weurd uut ons dialek kump 'krek' niet uut de loch valle. Dialekte zun duk 'n soort archief met weurd die in de standaardtaal al lang niet meer gebruuk worre. En 'krek' het ook nog 'n heel deftige oorsprong, want kump uut 't Frans. In de uutspraak worre toonloze klinkers duk weggelaote. Ons woord kleur kump van 't Frans couleur, krant van courant, kraal van koraal. En ons woord van de maond krek is van 't Franse correct. Vrogger nuumde ze 'n vrouw die goed op heur zake paste 'n krek wief. In Nederlandse dialekte wurdt 't woord (soms ook as krekt of krak) gebruuk veur: juist, precies. Bekend zun verbindinge as krek 't eigeste (precies hetzelfde) of krek 'n jaor later (precies een jaar later).

Dit is aoveriges allemaol nao te kieke op de in 2010 deur taalkundige Nicoline van der Sijs opgezette online etymologie-databank: http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/krek

Berghapedia: Krek


Origineel:  Chancy and the Grand Rascal (1966)

Woord van de maand December 2017: Gannef/Gannever/Garrever

Van de Liemerse woordenboeken komt het woord alleen in 't Gendringse woordenboek uit 1999 voor. 'Gannef' is niet bepaald een woord dat je graag hoort of gebruikt, maar van oudere mensen kun je het af en toe in verschillende varianten nog horen als ze op lieden afgeven, waar ze niet over te spreken zijn. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse woord גַּנָּב. (ganav = dief). Vandaaruit kwam het terecht in het Jiddish, de taal van de Europese joden, en vervolgens in het Bargoens, de taal van de dieven. We kennen het uit het Duits als 'Ganove', waar het niet alleen misdadiger en bedrieger betekent, maar ook als scheldwoord gebruikt wordt. Maar ook het standaard-Nederlands kent het woord 'gannef'. Je hoort het niet meer. De Amsterdammers zeggen 'boeffie'.

Berghapedia 'Gannef'


Woord van de maand Oktober 2017: Betuun

Disse maond wille wi-j graag aandach bestede aan 't woord 'betuun'. Dialekgroeplid Henk Harmsen schref daor 'n hele pagina aover in 't septembernummer van OER, 't cultuurhistorisch tiedschrif veur Achterhoek en Liemers. 't Woord kump veur in 't Berghapedia-artikel aover balkebri-j. In volgende zin wurdt de betekenis geliek duudelek:
"... zowat huus an huus (wier) un poetje geslach. Veural in de oorlog, toen ut vleis betuun was. Ut brach un hoop wark met zich met, dat slachte...".

't Instituut veur de Nederlandse taal lut wette dat 't woord in verschillende uutspraakvariante (beteun, betuin, betuun) in heel Oost-Nederland veurkump. Somt ook met toegevoegde d of t. De herkomst van 't woord is niet helemaol te achterhale. D'r liek sprake van 'n betekenisverschuving. Bi-jveurbeeld van `tussen tweeën, aan beide kanten ingesloten' naar `beperkt, schaarsch'. Zo kö-j 't laeze a'j d'r van uut gao dah 'betuun(d)' van 't Middel Nederlands betunen `omtuinen, omheinen' afkump. Ook wurdt 't veur meugelek geholde dat 't van 't Old-Noors gitiunian `schaden', 't Noors tjona `verdwiene' en 't Islands tyna `te gronde gaon' heergeleid zol könne waeze. Ingewikkeld! Gin wonder dah zukke weurd betuun zun.

Berghapedia 'betuun'

Tekst: Antoon Berentsen

Deel deze pagina