Woord van de Maond april 2026: nieds
Geplaatst op woensdag 1 april 2026 om 8:34 — Laatst bijgewerkt op woensdag 1 april 2026 om 6:37
Het klinkt als niets, maar ons Woord van de Maond nieds betekent toch echt iets anders. En dat ofschoon het in de Liemerse woordenboeken telkens als niets wordt geschreven. Dat niets moet als een verkeerde spelling beschouwd worden, aldus de man achter het intussen 13-delige Woordenboek van de Achterhoekse en Liemerse Dialecten (WALD), dr. Lex Schaars.
In de Telgen van het WALD, de woordenboeken van plaatsen/gemeenten in de regio, vinden we nieds (niets) vermeld voor zowel Bergh als voor Westervoort, Zevenaar, Wehl, het Gelders Eiland en voor Gendringen. Trek mien dat ding toch nie:t zo niets uut de hand, schrijft Henk Harmsen in zijn woordenboek ‘n Trop Barghse Weurd (Telg 4 uit 1982).
Nieds heeft echter ook een variant die iets positiever klinkt. In hetzelfde Trop Barghse Weurd wordt ’n niets keerltje opgevoerd. In Woorden en weurd uut de grune grensgemeente Gendringen (Telg 12 uit 1999) is dat kereltje nietsig. De ene keer wordt dat woord met ijverig, de andere keer met fel en vurig vertaald. Je kunt ook nietsig bezig zijn, druk druk druk dus. Uit Lobith/Pannerden wordt een ander soort van drukdoen gemeld: As dén vrollie ziet, dan is’ie toch zo niets!
Nieds lijkt vooral uit het Nedersaksisch dialectgebied te komen, van Noord-Duitsland tot de Achterhoek. Het komt al voor in de verzameling van dialectwoorden van de uit Vorden afkomstige hoogleraar taalkunde Johan Hendrik Gallée (1847-1908) uit 1895. Gallée komt met een betekenisvariant die goed past bij bovengenoemde zin uit ’t woordenboek van Lobith/Pannerden: sterk verlangend, begerig. Het woord heeft er nog meer, zoals in Vriezenveen, waar heel hard lopen als niets loopen wordt opgegeven. In Ruurlo drukt ons woord uit dat iets onverwacht gebeurt: A’j ene bie de hande griept, geet dat altied nieds. Bovendien varieert niets/nieds ook in woordsoort: Uit Winterswijk wordt gemeld dat nieds ook in niedsheid en niedsegheid (heftigheid, felheid) veranderd kan worden.
Maar het Groot Woordenboek der Nederlandsche Taal, dat Johan Hendrik van Dale (1828-1872) uitgaf, laat zien dat ons woord, maar nu met de Zuid-Nederlandse ij in plaats van onze ie, ook zuidelijker voorkomt: nijdsch betekent bij Van Dale toornig; hevig, sterk, hard. De Vlaamse schrijver Karel van de Woestijne (1878-1929) schrijft in een gedicht over de kou dat die nijdsch lippen en wangen, ja zelfs nijdsch ’t vleesch van m’n tanden bijt. Het Limburgs etymologisch woordenboek van Frans Debrabandere uit 2011 levert ook een bijdrage aan dit grotere verhaal. Daar wordt nietsj vertaald als vlug, bijdehand, vinnig, fel.
Waar komt dit nieds vandaan? Volgens het Woordenboek der Groningsche Volkstaal van onderwijzer Helmer Molema uit 1895 zou het een misverstand zijn om aan te nemen dat het van het Nederlandse woord nijd zou zijn afgeleid. Een sluitend verhaal lijkt hierover niet te vertellen. Maar voorstelbaar is dat eigenschappen als fel en driftig in verbinding kunnen staan met ijverig en snel. Het woord heeft veel energie!
Ik ga niedsig door met deze rubriek en vraag langs deze weg om hulp van de platpraotende lezer. Ik zoek uitspraken met het woord si’toe, dat in de woordenboeken van Bergh en Gendringen de betekenis straks, aanstonds heeft. Ik ken het van de afscheidsgroet Tot sitoe! Hopelijk kunnen we samen dit woordraadsel oplossen.
Tekst: Antoon Berentsen (werkgroep Dialect)







