Woord van de Maond februari 2026: kadieze
Geplaatst op donderdag 29 januari 2026 om 21:42 — Laatst bijgewerkt op donderdag 29 januari 2026 om 20:48
Van verschillende kanten kwam dezer dagen het werkwoord kadie:ze op mijn bord. Ongetwijfeld een vergeetwoord dat we van onze oude moeder (“Vilt hier nog wat te kadie:ze?") af en toe nog horen. Vergeten, omdat het zo helemaal niet lijkt op het standaard-Nederlandse woord. Of omdat zowel de herkomst als de betekenis niet helder zijn.
Dat is het geval met ons Woord van de Maond kadie:ze dat in ons woordenboek ’n Trop Barghse Weurd zowel smullen, schranzen als plezier maken betekent. Henk Harmsen noteerde daartoe de zinnen "Hi-j mag graag met de vrolluj kadie:ze" (vrolluj zijn uiteraard vrouwlui, vrouwen dus) en "Zie 'm door 's lekker zitte te kadie:ze". Lopen de betekenissen in het Berghs al uiteen, als je verder zoekt, wordt die kloof nog groter.
Om te beginnen in het woordenboek van Gendringen. Daar heeft ons woord naast de betekenis snoepen ook die van verdienen. (In de andere Liemerse woordenboeken en in het grote Woordenboek van de Achterhoekse en Liemerse Dialecten (WALD) is het woord afwezig!)
Uit het Woordenboek van Populair Taalgebruik -te vinden op ensie.nl- komt bij kadijzen/kediezen/kerdiezen een geheel andere betekenis naar voren: op- of aanmerken/berispen/bevelen. Het woord komt sinds de 17e eeuw in Zuid-Nederland voor en zou afgeleid zijn van het Franse Que dis-je of Qu'est-ce que dis? (Wat zeg je?). De schrijver Jacob van Lennep nam kadiezen in zijn boek De vermakelijke spraakkunst (1865) als vermakelijk werkwoord op. De zin “Wat heb je er op te kediezen?” betekent dan “Wat heb je erop aan te merken?” In een tijdschrift met naam ‘Biekorf’ duikt in 1932 het woord in een nog andere betekenis op: “De man 'n had in zijn huis niet vele te kadijzen, 't was wel hij die ‘een’ broek droeg maar hij was versleten.” De arme man had dus niets te zeggen in huis; hij had niet dè broek aan. In hetzelfde tijdschrift in 1956 ‘onze’ betekenis uit de culinaire hoek: “Op goe' vrijdag was er vroeger niet vele binnen te spelen: ‘Mager Jan was kok en pijpe toebak was zijn troost’. Er was niet vele te kadijzen, geen vet, geen melk, geen beuter en geen eiers. “
Zo heeft ons Woord van de Maond drie betekenissen die moeilijk op één lijn te brengen zijn: 1. op- of aanmerken; 2. smullen; 3. voordeel halen uit iets. Deze betekenissen zijn echter allemaal terug te vinden in de Grote Van Dale. Dat woordenboek merkt wel op dat het hier om streektaal gaat. Het woord is zowel in het westen, zuiden als oosten van het land te vinden. Voor Noord-Nederland heb ik nog niets gevonden.
De vraag moet dus gesteld worden of het woord wel in ons dialectwoordenboek thuishoort. Kennelijk hebben de makers van het Berghse en het Gendringse woordenboek gemeend het op te moeten nemen. Zij gebruikten het zelf wellicht niet (meer), maar hun oude moeder -altijd plat praotend- wel. Dat zou kunnen kloppen, want Martinus Bruijel noemt in 1901 het woord in zijn dissertatie Het dialect van Elten-Bergh. Dialecten als hoeders van oude taalschatten!
Tekst: Antoon Berentsen (werkgroep Dialect)







