De brug over de Wals

Geplaatst op vrijdag 27 november 2015 om 20:15

Douairière spande een proces aan tegen schenders van haar rechten

Uit de Graafschapbode 27-12-1969

DOETINCHEM - Het heeft er soms flink gespannen op en rond het Waalse Water nabij de oud-adellijke havezathe "De Kemnade" onder Wijnbergen, toen in de maand november van 1855 de Doetinchemse timmerman Berend Nieuwenhuis de opdracht te vervullen kreeg over het smalste deel van dit water, dat toen de Wals werd genoemd, een brug te slaan. Dit karwei moest hij in opdracht van O.A. Ankersmit uit Doetinchem uitvoeren, die aan weerszijden van de Wals een weide had en deze door een brug met elkaar wilde verbinden. De eigenaresse van de Kemnade, Vrouwe Maria Johanna de Bruijn, douairière van wijlen de hoogwelgeboren heer Carel Hendrik Graaf VerHeull, die alle rechten op de Wals bezat, had tegen de plannen van Ankersmit evenwel ernstige bezwaren. Toen Nieuwenhuis dan ook met een met hout beladen aak vanuit de Oude IJssel het Waalse Water wilde opvaren, werd hij hierin gehinderd door de opzichters en hun mannen van de Kemnade, die hem met hun bootjes de weg versperden. Onverrichterzake moest Nieuwenhuis op die dag naar Doetinchem terugkeren.
Op uitdrukkelijke last van Ankersmit werd echter de volgende dag nogmaals een poging ondernomen, waarbij Nieuwenhuis assistentie ontving van de zoon van Ankersmit en nog enkele anderen. Ditmaal had de tocht succes, ondanks de heftige tegenstand en de inmiddels nog in allerijl aangebrachte afsluiting tussen het Waalse Water en de Oude IJssel.
Onverdroten heeft Nieuwenhuis in de daaropvolgende dagen de brug over het smalste deel van de Wals geslagen. Herhaalde malen werden door de werklieden van de Kemnade tijdens de bouw de moeizaam in het water aangebrachte houten pijlers voor de brug verwijderd. Niettegenstaande alle tegenwerking is de brug er uiteindelijk toch gekomen, maar een lang leven was haar niet beschoren. Met deze grove schending van haar heerlijke rechten nam de eigenaresse van de Kemnade geen genoegen. Voor de rechtbank in Zutphen spande zij terstond een geding aan tegen de man, die het gewaagd had haar rechten aan te tasten.
De eiseresse verzocht de rechtbank haar in haar bezit te handhaven en de gedaagde te gelasten "zich voor het vervolg van alle stoornis dienaangaande te onthouden en hem te veroordelen om onmiddellijk, immers binnen veertien dagen na de beteekening van het in deze te vellen vonnis, het voormelde hei- en aardewerk en verder alle getimmerten en werken, die hij, hangende dit geding, ter voorzeider plaatse zich nog mogt onderstaan daar te stellen, of te doen daarstellen, op te ruimen", zoals het in het officiele stuk letterlijk heet. Tenslotte vroeg zij vergoeding der geleden en eventueel nog te lijden schade en veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

De douairiere stelde in haar eis dat de Wals vanaf 1823 tot aan bovengenoemde stoornis door niemand zonder de daartoe vereiste toestemming was bevaren, dat in genoemde periode buiten de gerechtigden door niemand in de Wals was gevist, ook niet na de invoering der nieuwe wet op de jacht en visserij op 6 maart 1852, dat er zonder toestemming geen riet en biezen in de Wals en genaasten waren gesneden en dat er evenmin door onbevoegden was gemodderd en gebaggerd. Althans deze feiten hadden in het openbaar door daartoe niet-gerechtigden niet plaats gevonden. Verder beschuldigde zij de gedaagde ervan dat hij in november 1855 de afsluiting tot de Wals had doen vernielen en dat hij een hei- en aardewerk had doen "daarstellen", waardoor een gedeelte van de Wals was gedempt. Dit zou zijn gebeurd tussen de grond van gedaagde en die van eiseresse door het slaan van een brug.
De gedaagde daarentegen vroeg de rechtbank de eiseresse haar ingestelde eis te ontzeggen of tenminste haar daarin niet ontvankelijk te verklaren en haar te veroordelen in de kosten van het proces. Hij ontkende pertinent stoornis te hebben veroorzaakt.
In hedendaagse termen uitgedrukt is het geding een mammoetproces geworden, dat meer dan vier dagen in beslag heeft genomen en waarbij niet minder dan dertig getuigen uitvoerig werden verhoord. Met alle scherpte is het proces door de procureurs van beide partijen gevoerd. Van de vijftien door eiseresse gedagvaarde getuigen konden er op de eerste dag maar negen worden gehoord. De procureur van Ankersmit had zich namelijk tegen het horen van de zes overige getuigen verzet op grond van het feit, dat de namen en woonplaatsen dezer getuigen niet binnen de termijn van drie dagen voor het verhoor aan de gedaagde waren betekend. Ook tegen het horen van andere getuigen maakte hij ter zitting op diverse gronden telkens bezwaren, waarop de rechtbank evenwel niet inging. Ook de procureur van de tegenpartij poogde herhaalde malen het horen van getuigen te beletten, maar slechts in één geval gelukte hem dit, omdat bedoelde getuige wegens diefstal was veroordeeld. Achter gesloten deuren en ieder afzonderlijk werden de getuigen gehoord. Zij allen verklaarden volkomen bekend te zijn met de situatie op en om de Kemnade, omdat zij er vlakbij woonden of hadden gewoond, er hadden gediend of uit anderen hoofde kennis droegen van de gang van zaken aldaar.

Afgaande op de uitlatingen van de dertig getuigen moet de omgeving van de Kemnade ruim een eeuw geleden een heel wat levendiger beeld te zien hebben gegeven dan nu. Er was sprake van een veerhuis met er naast een aanlegplaats, welke door aakschippers werd benut voor het laden van goederen zoals stenen, hout, turf en ijzerwaren uit Ulft.

Getuigen van eiseres

Landbouwer Henricus Kaak uit Ambt Doetinchem opende de rij van getuigen die door eiseresse waren opgeroepen. Hij vertelde de rechtbank dat er zonder permissie van de Kemnade in de Wals niet mocht worden gevaren, gevist of riet en biezen gesneden, gebaggerd en gemodderd. Het slaan van de brug had hij gezien. Ook was het hem bekend dat het dikwijls was gebeurd dat schippers en vrachtschuiten vanuit de Oude IJssel de Wals een eind invoeren om daar goederen te laden. Maar zulks geschiedde nimmer zonder toestemming van de heer of vrouwe van de Kemnade. Hij had als opzichter ook eens een zekere Gaaijmans uit Doetinchem, die met zijn schuitje zonder toestemming de Wals was binnengevaren, gelast zich direct te verwijderen, hetgeen deze "ofschoon met weerzin" dadelijk had gedaan. Landbouwer Derk Jan Heijink uit Ambt Doetinchem kon bevestigen dat ook na de invoering van de nieuwe wet op de jacht en visserij er zonder toestemming niet mocht worden gevist.

Stiekum

Landbouwer Jan Borkes uit Bergh verklaarde dat, wanneer er op de Wals werd gevaren, gevist enz., zulks tersluiks geschiedde en dadelijk werd verboden. De aakschippers die van de aanlegplaats gebruik maakten, deden dit slechts met toestemming van de Kemnade. Vroeger was de Wals door palen van de Oude IJssel afgescheiden, maar nu stond er nog maar één paal. De Wals was herhaalde malen door de eigenaar afgepaald geweest. Tegen stroperij werd steeds streng gewaakt. Wessel Verstege, landbouwer in Ambt Doetinchem, had in november 1855 na de verjaging van timmerman Nieuwenhuis zelf meegeholpen aan het in allerijl aanbrengen van een afsluiting tussen de Oude IJssel en de Wals door middel van palen en hekwerk. Hij had ook gezien hoe Nieuwenhuis de volgende dag met een schuit was komen aanvaren en opzettelijk en met geweld deze afsluiting had verbroken tegen het verbod van de werkbaas in. Oud-opzichter Jan Wienholts vertelde nog als bijzonderheid dat hij eens met andere werklieden een eilandje in de Wals had gemaakt op last van de admiraal om er visnetten op te kunnen drogen. Dit eilandje lag aan het einde van de weide "het Spiek" van de gedaagde tegenover de weiden van Walserboer. Later evenwel is dit eilandje door het hoge water weggedreven. De winkelier Gerhardus van Dillen uit Doetinchem kwam vertellen dat hij met toestemming van eiseresse riet en biezen in de Wals had gesneden, zelfs tegen de weiden van gedaagde. Bakker Derk Jan Bussink uit Doetinchem had bij de Kemnade hout gekocht en had, om dit per aak over de Wals te kunnen vervoeren, de toestemming nodig van eiseresse, welke hij zonder moeite had verkregen. De 72-jarige weduwe Berendina Terhorst-van Rhee uit de Slangenburg had haar jeugd in het veerhuis doorgebracht en op de Kemnade gediend, eerst bij de heer Van Heeckeren van Walien en later bij eiseresse. Ook zij bevestigde de verklaringen van de vorige getuigen, evenals Jan Goris en Bernardus Verheij uit Gendringen, Johannes Peters, Stoffel Dijker en Albertus Pelgrim uit Bergh en Gerrit Jan Kaan uit Ambt Doetinchem.

Tegenpartij aan het woord

Na een interlocutoir vonnis van de rechtbank werden ruim een jaar later de getuigen van gedaagde gehoord, die verklaringen aflegden welke doorgaans tegengesteld waren aan die van de getuigen van eiseresse. Landbouwer Jan Vels uit Wijnbergen, pachter van het erve Polsendaal, zei meermalen van het water van de Wals gebruik te hebben gemaakt zonder dat hij daartoe permissie van de Kemnade had gevraagd. Zo had hij hooi over de Wals vervoerd. Hij had ook gezien dat schipper Kappert een aak hooi voor gedaagde over de Wals naar de Oude IJssel had gevaren. Een schuur vol schors van wel 500 mud was door Jan Hamer in zes of zeven "reizen" in een aak over de Wals naar Doetinchem gebracht, zulks bij dag en in het openbaar zonder iemands verzet.
Ook had Vels jaarlijks riet en biezen in de Wals gesneden tegen de weide "het Spiek" zover hij dit zonder schuit kon bereiken, eveneens zonder toestemming van de Kemnade. Zelfs had hij hiertoe permissie gegeven aan de stoelenmakers Jan en Gradus Ros uit Zeddam die later deze bewering als getuigen kwamen bevestigen. Voorts vertelde Vels dat hij voor gedaagde bij laag water de doorwaadbare plaats tussen "het Spiek" en "het Engstel" wel eens met zand had opgehoogd, zodat er met voertuigen over gereden kon worden, zoals Ankersmit bij zomertijd wel placht te doen. Bij hoog water was de Wals evenwel niet te passeren en moest hij voor gedaagde het hooi via Terborg naar Doetinchem vervoeren, hetgeen een grote en tijdrovende omweg betekende. Om deze reden dan ook was de brug over het smalste deel van de Wals gelegd.

Geen toestemming nodig

De pachter van erve de Wals, toebehorende aan de heer van Schuijlenburg, Rutger Winters, had nooit gehoord dat er toestemming was vereist voor het bevaren van de Wals. Ook Jan Lukassen uit Warm zei hiervan nooit gehoord te hebben. Als bijzonderheid deelde hij o.m. mede dat het veer over de Wals honderdtachtig passen lag van de plaats waar de Wals in de Oude IJssel loopt. Tussen dat veer en de Oude IJssel bevond zich de aanlegplaats waar de goederen werden neergelegd om daar in de schuiten te worden geladen. De burgemeester van Gendringen, Daniel van Woelderen, had vele jaren bij de Kemnade gewoond, daar het landgoed "Diepstege" van zijn overleden ouders eraan grensde. Zijn zusters hadden nog een groot akkermaalshoutbos "De Hommel" genaamd, eveneens aan de Wals gelegen. De biezen en het riet langs hun gronden sneden zij zelf en het hout uit het bos werd per aak over de Wals vervoerd zonder toestemming van de Kemnade. In gelijke geest verklaarden de getuigen landbouwer Frederik Koster, landbouwer Jan Hamers, schipper Jan Hamer, allen uit Ambt Doetinchem, wever Berend Wassink uit Doetinchem, zijn stadgenoot voerman Peter Anneveld, de stoelenmakers Ros uit Zeddam en de landbouwers Willem te Water, Bernardus Vels en Evert Jan Vels, allen uit Wijnbergen.

Boeiend relaas

Het meest boeiende relaas deed timmerman Berend Nieuwenhuis uit Doetinchem. Suggestief wist hij zijn avonturen op en bij de Wals op de bewuste novemberdag te schilderen en in het heetst van het gevecht had hij niets van de afsluiting gemerkt. Door het werkvolk van eiseresse was hij tijdens het werk herhaaldelijk gehinderd, doordat zij de brugpalen uit de grond trokken. Volmondig gaf hij toe dat bij hoog water door de bouw van de brug het water werd versmald en dat er tussen de hoofden drie rijen palen waren geslagen om de brug erover te leggen.
Na het verhoor van deze getuigen werden nog enkele getuigen van eiseresse op verschillende detailpunten andermaal ondervraagd. Zij gaven daarbij toe dat het mogelijk was dat er op de Wals wel werd gevaren en dat er ook riet en biezen door anderen werden gesneden. Dit alles evenwel was dan gebeurd zonder permissie van de Kemnade en dus tersluiks.

Eiseres in het gelijk

De rechtbank heeft tenslotte de eiseresse in het gelijk gesteld, waarbij zij o.m. overwoog dat het bezit van het visrecht in het water de Wals door de nieuwe bepalingen der wet op de jacht en visserij niet werd aangetast. Ook het bezit van het water de Wals werd door de rechtbank erkend, zodat daarop zonder toestemming van de eiseresse niet mocht worden gevaren. Ook het snijden van riet en biezen was zonder toestemming niet geoorloofd. Uit het feit dat door anderen op de Wals was gevaren kon de gedaagde geen voordeel trekken. Het varen over de Wals door anderen heeft dit water hierdoor niet in de macht van gedaagde gebracht en bovendien zijn die vaarten nimmer ondernomen met het oogmerk om de Wals voor zich te behouden.

Kwaad bloed

Toegegeven moet worden dat de situatie bij de Wals in die tijd verre van ideaal was en dat een volharden hierin kwaad bloed zette. Van een goede verhouding tussen de bewoners van de Kemnade en de gedaagde en diens familie kon dan ook nauwelijks sprake zijn. Ook na de komst van de nieuwe eigenaar van de Kemnade waren er conflicten met de weduwe van Ankersmit. Later schijnt de nieuwe eigenaar, de heer J.A. Insinger, het onhoudbare van de toestand te hebben ingezien, want tussen de oude papieren bevinden zich enkele ontwerpen voor een overeenkomst met de weduwe Ankersmit over het slaan van een brug over de Wals.
Het behoud van haar rechten vormde schijnbaar niet de enige zorg voor de hoogbejaarde weduwe van graaf VerHeull. Dit leiden we af uit het feit dat zij niets heeft odnernomen tegen het steeds verder gaande verval van het kasteel de Kemnade. Het was voor haar een verre van eenvoudige zaak om het toen nog ruim 175 hectare grote bezit met verschillende boerderijen naar behoren te leiden. In de Geldersche Volks-Almanak van 1889 geeft H.M. Werner een wel zeer sombere schildering van de toestand waarin het kasteel de Kemnade zich toen bevond. Van de eens zo brede brug over de Oude IJssel was niets meer over. Er was alleen nog een loopplank met een leuning eraan. De gebouwen leken op ruines, waarop regen en wind dor de verwaarlozing steeds meer vat kregen.

Verkocht

Op 12 januari 1858 overleed Vrouwe Maria Johanna VerHeull op 93-jarige leeftijd. Meer dan anderhalf jaar werd het bezit aan zijn lot overgelaten. Op 27 september 1860 werd het landgoed door notaris mr R.W.J. Ketjen uit Doesburg bij toeslag verkocht. De onroerende goederen waren in niet minder dan 50 percelen verdeeld, waarvan de eerste 24 werden aangekocht door de oliefabrikant Jacob Albrecht Insinger te Brummen voor een totaalbedrag van f. 88.412,--. Hiertoe behoorden o.a. het herenhuis de Kemnade, bestaande uit kasteel annex gebouwen, uitgebreide tuin met vruchtbomen, bos, weiland, uitgebreide wandelingen, het recht van jacht over de gehele uitgestrektheid van de havezathe en twee jachtrechten onder de gemeenten Etten en Bergh, zomede het recht van visserij in de Oude IJssel zover de havezathe zich uitstrekt en de rechten op het Waalse Water met het recht van veer. Voorts behoorden hiertoe de twee hoofdlanen vanaf de straatweg van Doetinchem naar Terborg, waaraan de Kemnade toen was gelegen, tot aan het kasteel en vanaf het Waalse Water tot aan de Kruisstraat.

120 Hectare

Tot de koop behoorden ook o.a. de weide "het Jurjenslag", "het Groote Bosch", de hofstede "het Veerhuis" met grond, de "Kleine Koeweide" en de "Groote Koeweide" onder Etten, de hofstede "het Veerbosch", het bouwland "de Duivelshoek" onder Etten, de bouwplaats "den Bleumer", de kamp bouw- en weiland "Harfkensveld" onder Zeddam, "het Luusweidjen", het bouwland "Kijk in het Veld", het bouwland "het Middenveld" en een gedeelte van de bouwplaats "Groenendal", een gedeelte bouwland van "de Groote Kamp" en een gedeelte van de bouwkamp "Hoogenkamp" onder Zeddam, in totaal bijna 120 hectare groot. Enige percelen liepen bij de verkoop op slag.
In juni 1889 werd het oud-adellijke goed andermaal verkocht, nu door notaris H.G. van Everdingen uit Terborg. Eigenaar werd toen de heer Pierre Landry te Doetinchem. In 1919 werd de Kemnade door bemiddeling van notaris mr J.J. van Gorkom verkocht aan de heer C. Misset te Doetinchem. Thans is eigenaar jhr mr J.A. Beelaerts van Blokland die het huis op de oude fundamenten heeft herbouwd en de oude toren heeft laten restaureren. Als een phoenix is ze herrezen, de Kemnade, herinnerend aan een rijk verleden.

Zie ook de biografie van Maria Johanna de Bruijn

Zie ook Old Ni-js nummer 44

Beeld: Ed te Pas

Deel deze pagina


Meer agendapunten »

Canon van BerghLid worden van de HKB?'t Raethuys
Bestel hier »